donderdag 18 augustus 2022

De juiste leeftijd


Het laatste essay van Boek I van Montaigne’s Essays heeft als titel “Over leeftijd”. Montaigne behandelt er de vragen of er een juiste de leeftijd is om te sterven en wat de juiste leeftijd is om diverse levensstadia te scheiden. Montaigne begint met de eerste vraag. Hij verhaalt ons van Cato de Jongere (95-46 v.Chr.), een Romeins politicus en staatsman, die, zo lezen we in de
Wikipedia, zelfmoord pleegde, omdat hij niet onder het regiem van Julius Caesar wilde leven. Toen anderen hem wilden beletten dit te doen, zei Cato tegen hen, aldus Montaigne: “Ben ik nog op een leeftijd waarop je me kunt verwijten dat ik het leven te vroeg verlaat?” “Toch was hij maar achtenveertig jaar”, voegt Montaigne eraan toe. Eigenlijk is deze opmerking wat merkwaardig, want toen Montaigne zich in 1571 uit het publieke leven terugtrok op zijn kasteel, schreef hij op de muur van zijn studeerkamer dat hij er “de weinige tijd die hem nog in het leven resteerde” wilde doorbrengen. Toch was Montaigne toen nog maar achtendertig jaar, maar zijn woorden geven de indruk alsof hij al een oude man was. Dit laat zien dat leeftijd een relatief begrip is en dat je zo oud bent, als je je voelt. Sommige mensen zijn kennelijk al oud als ze achtendertig of achtenveertig zijn, terwijl andere mensen nog steeds “jong” zijn op hun honderdste. De onlangs op 109-jarige leeftijd overleden Franse wielrenner Robert Marchand bleef tot vlak voor zijn dood fietsen. Op zijn 105e voelde hij zich nog steeds fit genoeg om als eerste een afstand neer te zetten voor het werelduurrecord voor 105-jarigen, dat speciaal voor hem was ingesteld. Hij legde in een uur de gezien zijn leeftijd bewonderenswaardige afstand van 22,547 km af. Wie zal hem dat ooit nog nadoen? De meesten van ons zullen daartoe niet eens een poging kunnen ondernemen, want ze zullen deze leeftijd niet bereiken. Maar als iemand “al” op een leeftijd van 96 of 87 jaar komt te overlijden, zal niemand dat een vroegtijdige dood noemen, hoewel we dat wel zo zullen vinden, als een persoon op 48-jarige leeftijd sterft, zoals Cato, of als hij of zij 59 is, zoals Montaigne. Dit roept de vraag op wat dan een “normale” leeftijd is om te komen te overlijden. Ik denk dat deze vraag niet is te beantwoorden. Wat we een normale leeftijd noemen ligt aan de tijd en het land waarin je leeft, de gemiddelde leeftijd waarop mensen in dat land sterven en zo nog een aantal factoren.
Als er dan geen normale leeftijd is om te overlijden, bestaat er dan zoiets als een “normale dood”? Ik denk dat de meeste mensen als een normale dood zien, dat je in je eigen bed sterft, oud en der dagen zat. Maar is dat werkelijk een “normale dood”? Montaigne denkt er in ieder geval anders over: Deze manier van overlijden is “toch de meest zeldzame en ongewone van alle manieren van sterven...?” En hij gaat dan verder: “Alleen deze dood noemen we natuurlijk, alsof het tegennatuurlijk is dat iemand bij een val zijn nek breekt of bij een schipbreuk verdrinkt of plotseling door de pest of een longontsteking wordt overvallen; alsof onze gewone toestand ons niet aan al deze rampen blootstelt. Laten we onszelf niet voor de gek houden met deze mooie woorden: het zou wellicht beter zijn datgene natuurlijk te noemen wat algemeen voorkomend, alledaags en universeel is. Sterven door ouderdom is een zeldzame, unieke en buitengewone dood en daarom minder natuurlijk dan de andere.” Wat moet ik hieraan toevoegen? Montaigne zelf stierf wel in zijn eigen bed. Dat was op 59-jarige leeftijd, dus nog niet echt oud, door een onbekende, pijnlijke ziekte (mogelijk nierstenen, een kwaal waaraan hij leed).
Vervolgens vraagt Montaigne zich af of er bepaalde leeftijden zijn die levensstadia van elkaar scheiden en ook of er bepaalde leeftijden zijn die het meest geschikt zijn om iets te doen. Dit is het tweede thema van het essay “Over leeftijd”. Neem bijvoorbeeld de leeftijd waarop je mag trouwen (mijn voorbeeld). Deze markeert het tijdstip waarop je echt volwassen bent en hoeft niet samen te vallen met die waarop je meerderjarig wordt en je bijvoorbeeld zelfstandig, zonder toestemming van je ouders, (andere) juridische handelingen mag verrichten. In Nederland is de huwelijksleeftijd nu vanaf 18 jaar, het tijdstip waarop je ook meerderjarig wordt. Tot 1970 kon je voor je 30e echter niet trouwen zonder toestemming van je ouders. Toen werd dat 21 jaar en in 1985 werd deze leeftijd de huidige 18 jaar. Als je jonger bent, mag je normaliter niet trouwen. De huwelijksleeftijd verschilde en verschilt door de tijd heen echter van land tot land en in sommige landen vormen ook vandaag de dag zelfs kinderhuwelijken geen probleem. Andere voorbeelden van leeftijdsgrenzen zijn de leerplichtleeftijd, de leeftijd waarop je je rijbewijs mag behalen, de leeftijd dat je recht hebt op het minimumloon voor volwassenen en de pensioengerechtigde leeftijd. Al deze leeftijden zijn voortdurend aan wijziging onderhevig geweest en verschillen per land en dit maakt dat de grenzen van de diverse leeftijdsstadia, in ieder geval zoals ze wettelijk vastgelegd zijn, steeds veranderd zijn.
Veel leeftijdsgrenzen scheiden kinderen en jongeren van volwassen, maar doordat ze niet objectief vastliggen en naar tijd en plaats kunnen wisselen, laten ze zien dat volwassen zijn een relatief begrip is. Montaigne denkt dat “met twintig jaar onze geest zich al ontwikkeld heeft zoals hij moet zijn, en alles waartoe hij in staat zal zijn al als belofte in zich heeft.” Meer nog, “[n]ooit heeft een geest die op die leeftijd nog niet een duidelijk voorproefje van zijn vermogen had gegeven, dit later nog bewezen. Het is binnen die periode, of nooit meer, dat de aangeboren talenten en deugden blijk geven van de kracht en schoonheid die ze bezitten.” En als het dan niet voor je twintigste is, aldus Montaigne, “[v]an alle grote menselijke daden die mij bekend zijn, van welke aard ook, uit vroeger tijden zowel als uit de onze, zal het merendeel denk ik vóór het dertigste jaar verricht zijn, en niet erna.” En niet alleen Montaigne maar veel mensen hebben dit altijd gedacht en denken het misschien nog wel. Het is zo dat veel wetenschappers, zoals bijvoorbeeld Einstein, hun belangrijkste ontdekkingen vóór hun dertigste gedaan hebben, maar in zijn algemeenheid is dit idee niet juist, ook niet voor wetenschappers. Veel menselijke kwaliteiten hebben tijd nodig om te rijpen en veel mensen worden op hun latere leeftijd pas goed, wanneer de juiste combinatie van creativiteit, kennis, het vermogen om zaken te doordenken en te overdenken, sociale ervaring en dergelijke zich heeft ontwikkeld.
Maar hoe dan ook, na je dertigste begin je toch wel geleidelijk lichamelijk achteruit te gaan. En in geestelijk opzicht? Veel ouderen mensen, bijvoorbeeld zo rond hun zestigste, zeggen: “Lichamelijk ben ik ouder geworden. Mijn lichaam kan niet meer doen wat het kon doen, toen ik jonger was. Geestelijk ben ik echter nog steeds dezelfde als toen ik twintig was. Mentaal ben ik jong gebleven.” Maar klopt dat wel? Misschien voelt het zo, maar het is een illusie. Ook je geest gaat langzaam achteruit, of in ieder geval verandert deze met de jaren. Ook in je hoofd blijf je niet de jonge meid of jonge vent die je eens was. Zoals Montaigne zegt: Het kan zelfs gebeuren dat je geest sterker veroudert dan je lichaam, maar wanneer dat gebeurt, heb je dat meestal niet door en dat is dan “des te gevaarlijker”. Het is een illusie te denken dat je in de loop der jaren mentaal niet verandert. Hou jezelf niet voor de gek.

---

De citaten zijn ontleend aan
Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.

dinsdag 12 juli 2022

Wat weet ik?


Ook 400 jaar na publicatie blijft Montaigne’s Essays interessant om te lezen. Ik kan het niet nalaten het boek af en toe ter hand te nemen. Ik heb veel passages onderstreept en essays die ik in hun geheel erg interessant vind, heb ik speciaal gemarkeerd. Een van die essays is nummer 27 uit Boek I. Het is bijzonder relevant in de huidige situatie, waarin nog steeds sprake is van een wereldwijde epidemie en waarin nu ook een oorlog in Europa de economische en maatschappelijke orde overhoopgooit. Bij veel mensen is er onzekerheid over wat er nu waar is en wat niet waar is van wat er over de pandemie en het coronavirus wordt beweerd en ook over de oorlog die alweer bijna een half jaar in Oost-Europa wordt gevoerd. Wat feit is en wat fake. Wetenschappelijke op feiten gebaseerde verklaringen over de oorsprong van de pandemie worden geconfronteerd met “alternatieve” verklaringen. Het is niet altijd duidelijk wat er op het Oekraïense slagveld gebeurt en wat de echte redenen achter de oorlog zijn. Beide partijen hebben er belang bij de waarheid geweld aan te doen en de werkelijkheid te verdoezelen. In deze verwarrende situatie geeft Montaigne ons nuttige adviezen en richtlijnen hoe we daarmee moeten omgaan.
Essay 27 uit Boek I in mijn editie in de vertaling van Frank de Graaff draagt als titel “Het is dwaasheid van ons kritisch vermogen te laten afhangen wat waar en onwaar is”. Montaigne zegt hier, dat we de neiging hebben te geloven wat we al denken te weten en af te wijzen wat ons onwaarschijnlijk lijkt. Hij vraagt zich echter af of dit wel juist is. Op het eerste gezicht lijkt het in orde, want we geloven wat geloven niet zonder reden. Wanneer we evenwel nagaan waarom we er bepaalde opvattingen op nahouden, dan zien we dat veel van onze overtuigingen en meningen alleen maar een kwestie van gewoonte zijn. “Zo denkt men er nu eenmaal over”, of “Ik dacht nu eenmaal dat het zo was en ik heb me er verder niet meer in verdiept” wordt vaak als reden aangevoerd om aan oude ideeën te blijven vasthouden. Het is dan eerder door gewenning dan door inzicht dat bepaalde dingen ons niet meer verbazen, aldus Montaigne. Daardoor hebben we ook de neiging te denken dat mensen met andere meningen dan wij ongelijk hebben en minder redelijk zijn. Maar, aldus Montaigne, “het is dwaas en aanmatigend ertoe over te gaan alles van nul en gener waarde te achten en te veroordelen wat je niet waarschijnlijk lijkt, een ondeugd die veel voorkomt bij mensen die over een meer dan gemiddelde intelligentie menen te beschikken”. Montaigne voegt eraan toe dat hij vroeger zelf ook aan deze kwaal leed.
Natuurlijk moeten we niet zomaar alles aannemen wat ons verteld wordt. Aan de andere kant moeten we ook niet op voorhand verwerpen wat ons onwaarschijnlijk lijkt. We moeten een midden zien te vinden tussen goedgelovigheid en een sceptische houding. Het is arrogant alles af te wijzen waarvan we denken dat het wel niet zal kloppen. “Als wij alle dingen waar we met ons verstand niet bijkunnen, als wonderbaarlijk of tegennatuurlijk bestempelen, hoeveel van zulke dingen krijgen we dan niet voortdurend onder ogen!” Montaigne wil hier kennelijk zeggen dat veel van wat ons onwaarschijnlijk lijkt, ons onwaarschijnlijk lijkt vanwege onze vooroordelen.
Het gebeurt echter nogal eens, aldus Montaigne, dat gewoonlijk betrouwbare mensen ons dingen vertellen die we ongeloofwaardig vinden. Maar zelfs dan moeten we wat ze ons vertelden niet zomaar afwijzen, want misschien blijkt het later toch wel te kloppen. Montaigne vindt het beter ons oordeel in dergelijke situaties op te schorten. “[Iets] als onmogelijk verwerpen betekent dat men zich in staat acht te bepalen waar de grens van het mogelijke ligt, en dat zou overmoedig en aanmatigend zijn.” Want er is een “verschil tussen het onmogelijke en het ongewone en tussen wat tegen de loop en orde der natuur [is] en wat tegen de gangbare mening van de mensen ingaat …” Aan de ene kant moet je wat je verteld wordt niet voor zoete koek aannemen, aan de andere kant is het ook niet goed te sceptisch te zijn. Wat nu ongeloofwaardig lijkt, kan later toch juist blijken te zijn en “het is een gevaarlijke vermetelheid met kwalijke gevolgen om alles wat je niet begrijpt van nul en gener waarde te vinden”. Zelf veranderen we immers ook voortdurend van mening. Wat we eerst dachten dat waar was, kan later onjuist blijken te zijn of omgekeerd. Bovendien zijn onze opvattingen vaak met elkaar in tegenspraak. “Waarom herinneren we ons toch niet hoeveel tegenstrijdigheden we in onze eigen opvattingen vinden, hoeveel dingen er niet zijn die we gisteren nog als geloofsartikelen beschouwden en vandaag als fabels? Hoogmoed en nieuwsgierigheid zijn de twee plagen van onze ziel. De laatste brengt ons ertoe overal onze neus in te steken, terwijl de eerste verbiedt ook maar iets onbeslist en onopgelost te laten.”
Met deze laatste opmerking besluit Montaigne essay 27 van Boek I. Montaigne leefde in een tijd dat de wetenschap zich begon te ontwikkelen. Eeuwige waarheden werden omvergeworpen. Opvattingen die ooit als feit werd gezien bleken niet te kloppen. Of wat men altijd als fake zag bleek juist feit te zijn. Dit leidde ertoe dat mensen allerlei valse beschuldigingen tegen elkaar uitten en elkaar van kwader trouw beschuldigden. In de huidige wereld, die opnieuw gekenmerkt wordt door verwarring en tegenstrijdigheden zien we dit weer. Denk bijvoorbeeld maar eens aan alles wat van alle kanten wordt beweerd over de oorsprong van de pandemie en over de vraag welke middelen ingezet moeten worden om deze te bestrijden. Zie hoe oprechte wetenschappers worden belasterd en bedreigd wegens hun onderbouwde meningen. We horen in deze polemiek veel halve waarheden en halve leugens; feiten die dan opeens opnieuw geïnterpreteerd worden of door andere feiten worden vervangen. Samenzweringstheorieën doen de ronde. Enz., enz. Maar Montaigne zegt ons in essay I-27 dat we in principe voor alle opvattingen open moeten staan. Dit betekent niet dat we alles maar moeten geloven, maar het is goed naar andere opvattingen en ideeën te luisteren, ook al spreken ze ons niet aan of vinden we ze bij voorbaat al complete onzin. Als we dat serieus doen, dan merken we vaak dat we ons oordeel eigenlijk maar beter eerst kunnen opschorten dan meteen maar te zeggen dat we gelijk hebben. Hoe vaak is het al niet gebeurd dat feit fake bleek en omgekeerd? Hoe vaak bleek het niet dat de grenzen tussen beide vaag zijn? Niet voor niets was Montaigne’s motto “Que sais je?” Wat weet ik? 

donderdag 19 mei 2022

Het Montaigne-dogma


Zeecadettenmat

Montaigne’s kortste essay is het 22e in Boek I van de Essays. De titel in mijn Nederlandse editie in de vertaling van Frank de Graaff luidt “De een zijn dood is de ander zijn brood”. Letterlijk staat er, vertaald uit het Frans: “De winst van de één is de schade van de ander” (Le Profit de l’Un Est Dommage de l’Autre). In het Nederlands heeft het slechts 248 woorden. In dit essay stelt Montaigne dat ieders winsten voortkomen uit en berusten op kosten voor een ander. Essay I-22 is niet alleen Montaigne’s kortste essay, maar het is ook het essay dat het meest bekritiseerd is. Nu wil ik niet beweren dat het briljant is, maar is de kritiek terecht? De meeste kritiek gaat terug op wat de Oostenrijkse econoom en filosoof Ludwig von Mises (1881-1873) hierover geschreven heeft en volgt diens kritiek in grote lijnen. Laten we daarom eens kijken wat Von Mises van dit kortste essay van Montaigne dacht.
We vinden Von Mises’ bezwaren tegen Montaigne vooral in hoofdstuk 24 van zijn Het Menselijk Handelen. Hier schrijft hij:
“De onophoudelijke veranderingen in omstandigheden die de economie ervan weerhouden om in een gelijkmatig draaiende economie te veranderen en voortdurend ondernemerswinst en -verlies tot gevolg hebben, bevoordelen sommige leden van de samenleving en benadelen anderen. Daarom, zo concludeerde men, is het gewin van de ene het verlies van de ander; men maakt enkel winst door het verlies van anderen. Dit dogma werd door enkele vroegere schrijvers al aangedragen. Onder de moderne schrijvers was Montaigne de eerste om het te herformuleren; we kunnen het gerust het Montaigne-dogma noemen. Het was het middelpunt van de doctrines van het mercantilisme, oud en nieuw. Het ligt ten grondslag aan alle moderne doctrines die onderwijzen dat er binnen het kader van de markteconomie een onverzoenbaar conflict bestaat tussen de belangen van verschillende maatschappelijke klassen binnen een land en bovendien tussen de belangen van meerdere landen.” (cursief in het origineel)
Nu is het zo, aldus Von Mises, dat het Montaigne-dogma in bepaalde omstandigheden wel klopt, maar in het algemeen is dit niet het geval: “Wat de winst van een enkeling in het verloop in een vrije marktgemeenschap veroorzaakt, is niet de tegen- en rampspoed van zijn medemens, maar het feit dat hij datgene dat zijn medemens een gevoel van onbehagen bezorgt, verlicht of volledig wegneemt.” En dan geeft Von Mises een aantal tegenvoorbeelden die kennelijk bedoeld zijn om Montaigne’s opvatting in essay I-22 te weerleggen, want ze volgen soms bijna letterlijk wat Montaigne daar geschreven heeft. Zo zegt Von Mises bijvoorbeeld: “Wat de zieken schade toebrengt, is de plaag, niet de dokter die de ziekte behandelt. De winst van de dokter is geen gevolg van epidemieën, maar van de hulp die hij biedt aan de getroffenen.” (mijn cursivering) Dit is kennelijk een reactie op Montaigne’s opmerking dat geen enkele dokter blij is met de gezondheid van anderen (zie beneden). Nu brengt Montaigne zijn opvattingen in dit essay of elders in zijn werk natuurlijk niet in verband met een vrijemarkteconomie, want dit idee bestond nog niet in zijn tijd. Hij heeft het over menselijk gedrag en hoe je winst kunt maken. Maar zegt of suggereert Montaigne werkelijk dat de dokter de patiënt schaadt – zoals Von Mises in de gecursiveerde passage suggereert – zodat hij deze vervolgens kan behandelen en daaraan kan verdienen? Zegt Montaigne werkelijk dat de een winst maakt door de ander te schaden? Met andere woorden, kunnen we hier werkelijk van een Montaigne-dogma spreken?
Laten we eens wat nauwkeuriger naar essay I-22 kijken. Zoals we hierboven zagen, luidt de titel van dit essay letterlijk vertaald: “De winst van de één is de schade van de ander”. Deze titel is neutraal in betekenis. Er staat niet meer dan dat de een er voordeel bij heeft als de ander schade heeft. Zo staat het er ook in het Frans. Maar laten we eens naar Montaigne’s voorbeelden kijken:
“De koopman doet alleen goede zaken wanneer de jeugd uit de band springt; de landbouwer wanneer het graan duur is; de bouwmeester wanneer er huizen instorten; de ambtenaren van het gerecht wanneer de mensen twisten en procederen, en zelfs de geestelijken kunnen alleen dankzij onze zonden en onze dood hun ambt uitoefenen en daar eer mee inleggen. Geen enkele dokter is blij met de gezondheid van anderen, zelfs niet van zijn vrienden, zegt de oude Griekse komediedichter, noch een soldaat met de vrede voor zijn stad; en ga zo maar door.”
De voorbeelden die Montaigne hier gebruikt zeggen niets anders dan dat het winst maken door de een gepaard gaat met de schade van anderen en dat de winstmaker van deze schade profiteert. Montaigne zegt echter niet dat de winstmaker de schade van de ander veroorzaakt. Zo zegt Montaigne bijvoorbeeld niet (vergelijk Von Mises’ voorbeeld hierboven), dat de dokter de patiënt ziek maakt, maar alleen dat de een dokter zijn inkomen verdient doordat de patiënt ziek is. Blijkbaar heeft Von Mises de door mij zojuist aangehaalde passage van Montaigne gelezen als een soort van “post hoc propter hoc”, dus als “hierna, dus hierdoor”: de winstmaker kan zijn winst maken doordat hij een ander eerst schade heeft toegebracht. Nu moet ik toegeven dat de zin die op mijn citaat uit essay I-22 volgt dit zou kunnen suggereren: “[I]eder die zijn eigen innerlijk peilt, zal tot de ontdekking komen dat onze diepste wensen voor het merendeel op kosten van anderen geboren en gevoed worden.” Maar de titel en de teneur van essay I-22 maken duidelijk dat Montaigne alleen maar wil zeggen dat iedereen die voordeel heeft dit heeft vanwege de ellende van anderen en dan van deze ellende hoopt te profiteren. Misschien bestaat er wel een dogma dat zegt dat “het gewin van de ene het verlies van de ander [is]; [dat] men … enkel winst [maakt] door het verlies van anderen.” (Von Mises, zie boven) Dit is echter niet Montaigne’s dogma op de manier zoals Von Mises essay I-22 interpreteert.
Maar ook al is er geen Montaigne-dogma in Von Mises’ zin, we kunnen ons wel afvragen of Montaigne gelijk heeft met zijn bewering dat de winst van de een berust op de schade van anderen. Dit zal best wel eens voorkomen en misschien komt het meer voor dan je denkt, maar in het algemeen gesproken is het niet juist. Er zijn veel manieren waar je winst kunt maken. Profiteren van de schade of ellende van anderen is slechts één mogelijkheid. 

Bron
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.

- Mises Instituut Nederland, “uit Het Menselijk Handelen: Het Montaigne dogma”, https://mises.nl/het-montaigne-dogma/

dinsdag 12 april 2022

Ledigheid is des duivels oorkussen

Rue du Palais de l'Ombrière in Bordeaux. Op deze plek heeft
vroeger het Parlement (gerechtshof) van Bordeaux gestaan.
Het is in 1800 afgebroken.

In 1571 besloot Montaigne zijn baan als raadsheer bij het Parlement (gerechtshof) van Bordeaux op te geven en zich op zijn kasteel terug te trekken. We weten precies wanneer hij dit deed, namelijk op 28 februari van dat jaar, op zijn verjaardag. Hij heeft het op de muur van het zijkamertje van zijn bibliotheek geschreven. (zie de foto’s in de kolom links, onderaan) Montaigne kon met werken stoppen, omdat hij na het overlijden van zijn vader in 1568 een rijk man was geworden. Hij had toen het Kasteel Montaigne en het bijbehorende landgoed geërfd. Nu kon hij doen wat hij wilde en had hij het geld van zijn baan als raadsheer niet langer nodig. Deze baan was hem vanwege het geïntrigeer en het gekuip van de andere raadsheren steeds meer gaan tegenstaan. Montaigne koos voor zijn vrijheid, zoals hij zei. Nu had hij ook de tijd om de boeken te lezen die zijn vriend Étienne de La Boétie hem op zijn sterfbed had nagelaten. En hij had tijd om zijn landgoed te beheren. Omdat hij dat laatste eigenlijk vervelend werk vond, liet hij dit evenwel zoveel mogelijk aan zijn rentmeester over. Maar ja, de hele dag lezen, dag in dag uit? Lezen is leuk maar alleen maar lezen en niets anders doen is wat anders. Dat gaat de meesten op de duur toch wel vervelen. Een mens heeft nu eenmaal afwisseling nodig. Zo ook Montaigne. Toen hij zich op zijn landgoed terugtrok, dacht hij, zo schreef Montaigne in het essay “Over ledigheid”, “dat ik mijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem in staat te stellen zich in totale ledigheid met zichzelf bezig te houden, tot zichzelf te bepalen en in zichzelf rust te vinden, wat hem, naar ik hoopte, dan gemakkelijker zou afgaan, omdat hij met de tijd zwaarder en rijper geworden was.” Al gauw begon echter ook Montaigne zich te vervelen. Hij ontdekte dat het niet goed voor je is je te veel van de wereld afzijdig te houden. Bovendien bemerkte hij dat er in zijn geest allerlei vreemde voorstellingen en gedachten en rare fantasieën gingen rondspoken; onsamenhangende ideeën zonder enig verband en samenhang. Of zoals Montaigne zelf schrijft over zijn geest: Deze geeft “als een op hol geslagen paard, zichzelf honderdmaal meer problemen … dan hij ooit voor een ander op zich nam”. Zijn geest baarde hem talloze “hersenschimmen en bizarre monsters, de een na de ander, zonder orde en zin” en Montaigne werd er kennelijk stapel van.
Montaigne heeft dit probleem opgelost door naar de wereld terug te keren, zoals we weten uit de wijze waarop hij zijn leven daarna vervolgde. Montaigne begon weer te reizen, zowel in Frankrijk als daarbuiten. Hij begon weer te netwerken, want Montaigne had politieke ambities. Deze ambities werden uiteindelijk niet gerealiseerd op de manier zoals hij zich dat had voorgesteld of gewenst (het schijnt dat hij ambassadeur voor Frankrijk in Rome wilde worden), maar ze leidden er wel toe dat hij als bemiddelaar optrad tussen Koning Hendrik van Navarra (de latere Hendrik IV van Frankrijk) en Koning Hendrik III van Frankrijk, die voortdurend met elkaar in de clinch lagen. Zijn activiteiten leidden er ook toe dat hij door de Franse koning tot burgermeester van Bordeaux werd benoemd (wat hij overigens met tegenzin accepteerde).
Montaigne bracht zijn geest ook op een andere manier tot rust: Hij begon na te denken over wat er zich allemaal in zijn hoofd afspeelde. Of zoals Montaigne zelf schrijft: Ik begon mijn gedachten “op papier te zetten om ze in al hun vreemdheid en onzinnigheid op mijn gemakt te overdenken, in de hoop daar op den duur mee te bereiken dat hij [de geest] zich voor zichzelf schaamt.” Her resultaat van dit schrijfwerk werden de Essays, een geschrift dat een van de beroemdste en meest gelezen boeken in de geschiedenis van de filosofie werd en dat ook nu, ruim 400 jaar later, nog steeds veel gelezen wordt.
Montaigne vertelt hoe hij ertoe gekomen is zijn Essays te gaan schrijven in het hierboven genoemde essay “Over ledigheid”, hoofdstuk 8 van Boek I van de Essays. Eigenlijk zou dit het openingsessay van zijn werk hebben moeten zijn. Het is namelijk een soort van verklaring van Montaigne waarin hij zegt waarom hij is begonnen te schrijven (naast het voorwoord van de Essays, het “Aan de lezer”, waarmee de Essays worden ingeleid). Daarom is dit achtste hoofdstuk zo interessant en belangrijk. Maar niet alleen daarom. Het vertelt ons ook iets anders: Wij mensen kunnen niet leven door niets te doen. Wij mensen kunnen niet geïsoleerd van de wereld leven. Als we dat nog niet wisten, dan hebben we dat nu wel tijdens de Covid-pandemie bemerkt, waarin de ene na de andere lockdown werd afgekondigd. De mens is een sociaal wezen en wanneer hij of zij van anderen en van het leven rondom geïsoleerd en afgesloten wordt, dan begint de geest zich al snel te gedragen als een op hol geslagen paard en komen er allerlei rare ideeën en gedachten op. Als dat gebeurt, dan zijn er, zoals Montaigne ons leert, twee dingen die we moeten doen: Terugkeren naar de wereld en orde scheppen in ons hoofd, want ledigheid leidt tot niets. 

Bron
- Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001; hoofdstuk 8: “Over ledigheid”.
- Philippe Desan, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014 

donderdag 16 december 2021

Après nous le déluge

Kernafval: Na ons de zondvloed?
(
Kerncentrale van Cattenom, Frankrijk)

“Après nous le déluge” (Na ons de zondvloed) is een gezegde dat in veel talen spreekwoordelijk is geworden. De uitspraak wordt toegeschreven aan Madame de Pompadour, de maîtresse van de Franse koning Lodewijk XV. Ze zou het hebben gezegd, toen Frankrijk in moeilijke omstandigheden verkeerde. Het betekent zoiets als: Zolang we niet zelf direct door de omstandigheden getroffen worden, hoeven we ons niet te veel zorgen te maken, omdat we er al vandoor zijn of overleden zijn, wanneer de gevolgen merkbaar worden. Of ook, wat ook de schade van onze daden zal zijn, wij zullen het niet meer merken. Ook in de eerste interpretatie van de uitspraak is het meestal impliciet dat de spreker zelf mogelijk op een of andere wijze aan de problemen heeft bijgedragen of iets kan doen om ze te stoppen of af te zwakken. Daarom heeft de houding die in de uitspraak verborgen zit alles te maken met verantwoordelijkheid of liever met onverantwoordelijkheid. Het is een houding die zegt: Mij interesseert alleen wat mij raakt en ik heb lak aan de gevolgen van mijn handelingen voor anderen, zolang die gevolgen langs me heen gaan. Het is een houding die je bijvoorbeeld bij politici aantreft die denken de ze geen verantwoording over hun daden zullen behoeven af te leggen, zoals dictators en leiders in autoritaire staten. Ze schijnen te denken: Wie zal me rekenschap vragen? Gelukkig is de praktijk toch vaak anders, hoewel het nog te vaak voorkomt dat onverantwoordelijke politici de dans ontspringen, bijvoorbeeld doordat ze te komen overlijden. Maar de houding van “na mij de zondvloed” treft men niet alleen bij politici aan. Deze komt voor in alle maatschappelijke sectoren en bij alle lagen van de bevolking. En eerlijk gezegd, wie heeft wel eens niet deze gedachte?
Voor zover ik weet is verantwoordelijkheid op zich geen thema waarover Montaigne expliciet in zijn Essays heeft geschreven, maar de idee komt wel in veel van zijn essays in een of andere vorm voor. Dit is bijvoorbeeld het geval in “Beoordeel onze handelingen naar onze bedoeling” (Boek I-7). Hier gaat Montaigne in op de vraag of we aan onze verplichtingen, en daarmee aan onze verantwoordelijkheid, kunnen proberen te ontkomen door ervoor te zorgen dat de gevolgen van onze handelingen pas na onze dood optreden. Want is het niet zo dat de dood ons van alle verplichtingen ontslaat? Zoals altijd staan de voorbeelden die Montaigne gebruikt om uit te leggen wat hij wil zeggen wat ver van de moderne lezer af, maar ze zijn wel steeds treffend. In dit geval haalt hij het geval aan van de Engelse koning Hendrik VII die beloofd had het leven van een of andere hertog te sparen. In zijn testament gaf hij zijn zoon echter de opdracht om na zijn dood de man alsnog zo snel mogelijk om te brengen. Alsof zijn dood Hendrik VII van zijn verplichting zou hebben ontslagen om het leven van de hertog te sparen! Of hier is een omgekeerd geval, dat door Montaigne genoemd wordt. Toen op 4 juni 1568 de graven van Egmond en Hoorne op last van de hertog van Alva op de Grote Markt van Brussel onthoofd zouden worden, vroeg Egmond of hij als eerste mocht sterven. Want was hij niet verantwoordelijk voor de dood van Hoorne, omdat hij hem overgehaald had ook naar Brussel te komen en hem had beloofd en verzekerd dat hem daar niets zou overkomen? Maar Egmond had dit in goed vertrouwen gedaan en het was Alva geweest die beide graven in de val had gelokt.
Op grond van deze twee gevallen komt Montaigne dan tot de conclusie: “Wij kunnen niet aan verplichtingen gehouden worden die onze krachten en middelen te boven gaan. Daarom, omdat het effect en de uitvoering niet geheel in onze macht liggen en er in feite niets is dat werkelijk in onze macht ligt behalve onze wil, is het de wil waarop alle regels aangaande de plichten van de mens noodzakelijk gebaseerd zijn.” Of zoals de titel van het essay zegt: “Beoordeel onze handelingen naar onze bedoeling”. Dus Egmond was te verontschuldigen, of hij nu vóór of ná Hoorne zou sterven, want, aldus Montaigne, hij achtte zich volledig aan zijn belofte gebonden, hoewel hij niet in staat was zich eraan te houden. Hendrik VII was echter verantwoordelijk voor de dood van de hertog, ook al vond deze na zijn dood plaats, want hij had daartoe de opdracht gegeven.
Wat men ook wel ziet is dat mensen zich van hun verplichtingen proberen te ontdoen door in hun testament vast te leggen bepaalde fouten van hen te corrigeren, hoewel ze die al hadden kunnen rechtzetten, toen ze nog leefden. Deze handelwijze deugt niet, aldus Montaigne, want fouten moeten zo snel mogelijk hersteld worden, ook al valt je dit zwaar. Het is wel erg gemakkelijk een fout van jou na je dood door anderen te laten herstellen. “Boete doen vraagt erom dat men een last op zijn schouders neemt.” Maar ook: “Hoe moeilijker en onaangenamer deze teruggave … is, hoe meer [de] voldoening erover terecht en welverdiend is.”
Montaigne maakt in dit zevende essay van Boek I duidelijk dat verantwoordelijkheid niet bij de dood ophoudt. Dat je na je dood niet meer verantwoording over je daden behoeft af te leggen en dat de gevolgen van je fouten jouzelf niet meer treffen maakt niets uit. Veel mensen schijnen te denken: “Wat er na mijn dood gebeurt, zal me worst wezen”. Beter zou het zijn aan de woorden van Montaigne te denken, maar wie doet dat? Maar ook ná de zondvloed zijn we verantwoordelijk vóór wat we voor de zondvloed hebben gedaan. Misschien is de jaarwisseling de juiste tijd om dat weer eens tot ons te laten doordringen. Zijn we dan niet altijd vol van goede intenties? 

Bron

- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.

woensdag 7 april 2021

De vader van Montaigne


Ergens in zijn Essays noemt Montaigne zijn vader “de beste vader ooit”. Nu zullen misschien veel anderen dat ook van hun vader zeggen, maar uit de Essays blijkt dat hij een heel goede relatie met zijn vader heeft gehad. Behalve dat deze ongetwijfeld een invoelende vader geweest moet zijn, was hij het niet die Michel zo’n speciale opvoeding heeft gegeven die zijn zoon tot een bijzonder man heeft gemaakt? Nu weten we wel veel van de zoon, maar wie was eigenlijk deze Pierre Eyquem de Montaigne?
Net als later zijn zoon werd Pierre Eyquem in het Château de Montaigne geboren en wel op 29 september 1495. Het kasteel was in het bezit van de familie sinds zijn grootvader Ramon Felipe Eyquem (1402-1478) het gekocht had. Ramon Felipe was een koopman uit Bordeaux die door de handel in vis, wijn en indigo rijk was geworden. De zaken werden door zijn zoon Grimon Eyquem (1450-1519) voortgezet. Grimon was ook een tijdlang raadslid in het stadsbestuur van Bordeaux. Omdat Grimon Eyquem adeldom voor zijn familie nastreefde en een edele geen koopman kon zijn, brak hij op late leeftijd met deze familietraditie en besloot hij dat zijn zoon Pierre een ridderlijke opleiding moest volgen. Hij liet hem daarom als page in dienst treden van Jean de Durfort, burggraaf van Duras. In 1518 ging Pierre in het leger van koning Frans I, waar hij tien jaar soldaat was. Hij trad toe tot een compagnie boogschutters die alleen edellieden accepteerde. De dienst in het leger bracht Pierre Eyquem onder meer naar Italië, waar hij in contact kwam met de Renaissance en het Humanisme. Dit gaf hem allerlei ideeën die hem in zijn handelen en denken sterk zouden beïnvloeden, zoals bij de opvoeding van zijn zoon Michel.
Terug op zijn kasteel begon Pierre Eyquem zijn landgoed uit te breiden met de aankoop van nieuwe gronden. Zijn vrouw, een sterke persoonlijkheid, was hem bij het beheer van de terreinen behulpzaam. Hij was namelijk in 1529 getrouwd met Antoinette de Louppes de Villeneuve (1514–1603), waarschijnlijk een dochter uit een geslacht van (gedwongen) tot het christendom bekeerde Spaanse joden, die naar Frankrijk verhuisd waren. Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan Michel de oudste was, afgezien van twee die vroeg overleden waren. Ook ging Pierre Eyquem deelnemen aan het bestuurlijke leven van Bordeaux en hij bekleedde daar diverse hoge functies. In 1530 wordt hij benoemd tot eerste jurat en provoost van Bordeaux. Een jurat was wat we vandaag de dag in Nederland wethouder of in België schepen zouden noemen. De jurats kozen ook de burgemeester. Een provoost was een soort belastingadministrateur maar hield ook toezicht op het beheer van de gebouwen en goederen van de stad en had verder een aantal juridische bevoegdheden. In 1536 werd Pierre Eyquem tot onderburgemeester van de stad gekozen en ook weer herkozen tot provoost. In 1554 kreeg hij het hoogste ambt van de stad en werd burgemeester. Als burgemeester had hij de bijzonder lastige taak als afgezant van de stad naar koning Hendrik II te gaan om de verloren stadsrechten terug te krijgen. In 1548 waren deze Bordeaux namelijk ontnomen na een opstand van de bevolking tegen de zoutbelastingen. Pierre Eyquem kreeg de opdracht te proberen de koning met de stad te verzoenen. Bij wijze van verzoeningsgebaar had hij een flinke lading Bordeauxwijn meegenomen. Enige tijd daarna kreeg Bordeaux inderdaad zijn oude rechten terug.
Hoewel hij vaak in Bordeaux in zijn stadshuis verbleef, vergat Montaigne’s vader ook zijn status als edelman en kasteelheer niet. Hij bleef zich fysiek trainen als een echte ridder en hij ontving vooraanstaande gasten op zijn kasteel. Een van die gasten was Pierre Bunel, een geleerde uit Toulouse. Deze liet bij een bezoek in 1542 als geschenk het boek Theologia Naturalis van Raymond Sebond achter. Dit werk zou later grote invloed uitoefenen op de jonge Michel.
In 1554, het jaar dat hij burgemeester werd, kreeg Pierre Eyquem ook toestemming zijn kasteel, dat tot dan niet meer dan een groot herenhuis was, te versterken met een muur en torens. Dat was vanwege de gewelddadige godsdiensttwisten in de streek, die steeds sterker werden, ook wel nodig.
Pierre Eyquem overleed op 18 juni 1568 in Bordeaux, mogelijk aan de gevolgen van een niersteenaanval, een kwaal waaraan ook zijn zoon Michel zou lijden.
Pierre gaf zijn oudste zoon Michel een bijzondere opvoeding die sterk beïnvloed was door zijn aanraking met de Renaissance en het Humanisme in Italië. Direct na zijn geboorte werd Michel naar een voedster in een dorpje in de buurt gebracht. Hij zou er twee jaar blijven. Vervolgens besloot Pierre dat de moedertaal van zijn zoon Latijn zou zijn. Dit was door Erasmus in zijn boek De Pueris uit 1529 aanbevolen. Daarom stelde Pierre Eyquem een Duitse opvoeder voor zijn zoon aan, die geen Frans kende en hem in het Latijn moest opvoeden. Bovendien mocht iedereen in het kasteel met de jonge Michel alleen maar Latijn spreken. Pas toen Michel op zesjarige leeftijd naar het prestigieuze Collège de Guyenne ging om zijn scholing voort te zetten, ging hij weer Frans spreken, maar hij mocht er vanwege zijn kennis van het Latijn wel twee klassen overslaan. Hoewel Montaigne in zijn Essays zegt dat zijn kennis van deze taal later wegzakte, bleef het niveau voldoende om Latijnse werken in de oorspronkelijke taal te lezen. Om te voorkomen dat hij zijn Latijn zou vergeten gaf de vader Michel na zijn tijd op het Collège de Guyenne de opdracht de van Bunel gekregen Theologia Naturalis te vertalen. Michel zou deze taak ook uitvoeren en het resultaat later als boek publiceren, een jaar na de dood van zijn vader. Sebond’s werk zou, zoals gezegd, grote invloed op Montaigne uitoefenen en hij schreef een lange verhandeling over de Theologia Naturalis, die als verreweg het langste essay in Boek II van de Essays is opgenomen. Ook bezorgde Pierre Eyquem zijn zoon een baan als jurist bij het Cour des Aides van Périgueux, een soort van gerechtshof dat zich bezighield met belastingzaken. Deze instelling werd later met het Parlement van Bordeaux samengevoegd en naar die stad overgeplaatst, waardoor ook Montaigne in die stad terechtkwam. 

Bronnen
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014
- “Montaigne, Michel de (1533-1592)”, https://mediatheque.sainthilairederiez.fr/node/597440?&from=/node/597440

- “Pierre Eyquem de Montaigne, in Wikipedia, https://de.wikipedia.org/wiki/Pierre_Eyquem_de_Montaigne

woensdag 3 februari 2021

De arrogantie van de macht

De Place des Quinconces in Bordeaux waar in
 1565 de parade voor Koning Karel IX plaatsvond.


In 1565 maakt de jonge Franse koning Karel IX een rondreis door Frankrijk om als nieuwe vorst zijn gezag te laten bevestigen. Op 9 april is zijn blijde intrede in Bordeaux. Er is een enorme parade georganiseerd. In de stoet gaan ook gevangenen uit twaalf landen mee. Onder hen zijn Grieken, Turken, Arabieren, Moren en ook Indianen uit Brazilië. Ongetwijfeld was Montaigne als raadsheer bij het parlement – gerechtshof – van Bordeaux bij de plechtigheid aanwezig. Het is waarschijnlijk bij deze gelegenheid dat hij een aantal indianen heeft ontmoet (en niet in Rouen, zoals hij zelf zegt). Montaigne doet er veertien jaar later verslag van in zijn essay “Over de kannibalen”.
De koning spreekt lang met drie van de indianen, aldus Montaigne, en “men liet hun onze levensgewoonten zien, onze pracht en praal en de aanzichten van een mooie stad. Daarna vroeg iemand hun wat ze van dit alles dachten, en wilde weten wat ze verbazingwekkend hadden gevonden.” Het was de Indianen onder meer “opgevallen dat er mensen onder ons waren (het is in hun taal een gebruikelijke zegswijze om de mensen de helft van elkaar te noemen), die in alle mogelijke vormen van luxe baadden, terwijl hun ‘helften’ uitgeteerd door honger en armoede aan de deuren bedelden; en zij vonden het vreemd dat deze behoeftige ‘helften’ een dergelijk onrecht over zich heen lieten gaan zonder de anderen naar de keel te vliegen of hun huizen in brand te steken.” (I, 31: 260)
Impliciet in deze passage, maar ook in de andere antwoorden die de Indianen gaven en in de weergave van zijn eigen gesprek met een indianenkoning, stelt Montaigne de vraag naar de macht aan de orde: Waarom gehoorzamen we een koning eigenlijk? Waarop berust gezag? Montaigne stelt vragen bij de grondslagen van de maatschappij zoals hij die kende, zoals Philippe Desan in zijn politieke biografie van Montaigne laat zien, en hij wijst op de afhankelijkheid van de onderdanen van de machthebbers. Het zijn vragen die vandaag de dag nog steeds actueel zijn. Desan: “Deze afhankelijkheidsrelatie tussen armen (bedelaars) en rijken berust niet uitsluitend op geweld of is een kwestie van angst en onderdrukking, maar vestigt ook de aandacht op wat [Montaigne’s beroemde vriend] La Boétie de vrijwillige onderworpenheid noemt. Die gewaagde acceptatie van het idee van onderworpenheid is … het onderwerp van een beschouwing, waarbij Montaigne doet alsof hij een eenvoudig commentaar weergeeft, dat de Indianen in zijn aanwezigheid gaven. De impliciete verwijzing van de auteur van de Essays naar La Boétie vormt een aanwijzing dat Montaigne aan meer denkt dan wat hij hier zegt [wanneer de Indianen elkaar elkaars helften noemen]. ... In tegenstelling tot wat hij ons zegt, heeft deze omschrijving voor de Indianen betrekking op het hele sociale lichaam, gezien het feit dat het privébelang zich moet buigen voor het algemene belang. De behoeftigen zowel als de geprivilegieerden vormen de een de helft van de ander in een wederzijdse en noodzakelijke afhankelijkheid die een samenlevingsmodel weerspiegelt. De noodzaak zich niet van de andere helft af te snijden is een van de belangrijkste politieke lessen die Montaigne in dit echte of gefingeerde onderhoud met de Indianen van de Nieuwe Wereld geeft.” (Desan, 2014: 189; mijn cursivering)
Montaigne gebruikt dus het gesprek met de indianen voor een impliciete maatschappijanalyse. Voor mij is hier de vraag van belang die in de kritiek van de indianen op het leven in Bordeaux aan de orde komt: Zorgt de koning wel goed voor zijn onderdanen? Algemeen: zorgen de machthebbers wel goed voor hun ondergeschikten? Via de mond van de indianen laat Montaigne zien dat hieraan nogal wat schort. Maar kunnen de onderdanen die door de machthebbers slecht behandeld worden wel in opstand komen, zoals de indianen lijken te veronderstellen? Étienne de La Boétie heeft laten zien, dat dit niet zomaar gaat: Macht is structureel en berust op een netwerk van relaties. Om de macht te grijpen moet je dit netwerk weten te breken en daar komt nogal wat voor kijken. Alleenstaande burgers zijn daartoe zelden in staat. Het vereist organisatie van gelijkgestemden en het opbouwen van een eigen structuur. Deze complexe sociale werkelijkheid wil Montaigne hier kennelijk aan de orde stellen. De machthebbers zelf weten ook dat het heel moeilijk is om de machtsstructuur te doorbreken en hen uit het zadel te wippen. Dit maakt machthebbers arrogant tegenover hun onderdanen en ze verzaken bijvoorbeeld hun zorgplicht tegenover hen. Liever houden ze zich bezig met het vestigen van hun eigen belangen en hun relaties met andere hooggeplaatsten in de machtsstructuur, hetzij om zich tegenover hen te verdedigen hetzij om kongsis met hen te vormen tegenover derden. Intussen houden ze tegenover de buitenwereld de schijn op dat ze de rechtmatige machthebber zijn en dat het hun recht is en dat het noodzakelijk is hun eigen positie te handhaven of die te versterken. Desnoods doen ze dit hard. In de tijd van Montaigne was deze strijd aan de orde van de dag. De ene godsdienstoorlog volgde na de andere met de rooms-katholieken tegen de protestanten. Hertog Hendrik I van Guise was de leider van de katholieke factie en hij probeerde als hun aanvoerder zijn macht uit te bouwen. De protestanten werden geleid door koning Hendrik van Navarra, die in Zuid-Frankrijk zijn macht probeerde uit te breiden. Naast de godsdienststrijd speelde dan nog de strijd om het koningschap van Frankrijk, die uiteindelijk door de koning van Navarra werd gewonnen. En het volk werd in deze strijd gemangeld en was de lijdende partij.
Hoe macht volgens Montaigne en La Boétie werkt, heb ik eerder uitgebreid behandeld in mijn boek Rondom Montaigne. Ik moest er weer aan denken bij de recente ontknoping van de toeslagenaffaire, die leidde tot het aftreden van het Derde Kabinet Rutte. Goed, de tijden zijn veranderd. We zijn ruim vier eeuwen verder en de strijd wordt niet langer gestreden op het slagveld en met wapens, maar in het parlement en met woorden en met wetten. Maar de blote structuur is dezelfde gebleven, met alle gevolgen van dien. Er worden kongsis gevormd, die vandaag de dag coalities genoemd worden. De machthebbers kijken naar elkaar om de juiste zetten te kunnen doen in het politieke spel en om te zien hoe ze de anderen een hak kunnen zetten. Ze kijken naar de buitenwereld en proberen een goede relatie met de pers op te bouwen. En ze kijken naar hun achterban. Waren dat in Montaigne’s tijd de katholieken en de protestanten, nu zijn het de kiezers. Desnoods verandert een machthebber radicaal van mening om de macht te krijgen of te behouden, net als Hendrik van Navarra, die in één nacht van protestant katholiek werd om dan als Hendrik IV koning van Frankrijk te kunnen worden. “Parijs is me wel een mis waard”, zei hij. De arrogantie van de macht, zoals die ook in een democratie bestaat. Ach ja, er vallen dan uiteraard wel eens slachtoffers. Waar gehakt wordt vallen spaanders, in het geval van de toeslagenaffaire de duizenden, zo niet tienduizenden gezinnen waarvan het dagelijks bestaan vernield werd door een te strenge wet die van onschuldigen fraudeurs maakte.
De diverse regeringen, de eerstverantwoordelijken voor de hele affaire, wisten wel degelijk wat hun opdracht was. Zei minister-president Mark Rutte, die vanaf het begin tot het eind van de toeslagenaffaire alle regeringen die erbij betrokken waren heeft geleid, niet bij het aankondigen van het aftreden van zijn kabinet: “De rechtstaat moet de burgers beschermen tegen een almachtige overheid en dat is hier op een verschrikkelijke manier misgegaan.”? Oftewel, in termen van Montaigne, een regering moet voor de mensen zorgen maar heeft in deze zaak gefaald.
In “Over de kannibalen” brengt Montaigne zijn sociale kritiek via de mond van de indianen: Anderen houden ons een spiegel voor; van andere culturen kunnen we leren. Op deze wijze leert Montaigne ons: Houdt rekening met de ander, ook als die zijn ondergeschiktheid accepteert, want de ander maakt deel van ons uit. De ander is onze wederhelft. Snijd je niet van je wederhelft af, want dan snijd je in jezelf. Laten degenen die de macht uitoefenen, en meer nog, laten degenen die in een democratisch systeem de macht uitoefenen eens daaraan denken, te beginnen met de regering en het parlement.

Bronnen
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014.
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001. 

Zie ook
- Weg, Henk bij de, Rondom Montaigne. Den Haag: Uitgeverij U2pi, 2019.

Zie linksboven hier op deze blogpagina. In hoofdstuk 5 heb ik een uitgebreide analyse van macht in de visie van Montaigne en La Boétie gegeven.

woensdag 20 januari 2021

Martelen

Montaigne was in veel opzichten zijn tijd ver vooruit. Praktijken die in zijn tijd aan de orde van de dag waren, maar nu in onbruik zijn geraakt omdat ze als achterhaald worden beschouwd, of die vandaag de dag ronduit worden verworpen en misschien zelfs als wreed worden gezien, keurde hij af. Zoals martelen.
Martelen was in de dagen van Montaigne een gangbare gerechtelijke procedure. Het werd gebruikt om bekentenissen af te dwingen en als straf. Hoe wreed deze praktijk vaak was, wordt duidelijk als je een martelmuseum bezoekt (in Amsterdam, bijvoorbeeld, zijn er twee) of wanneer je een beetje googelt op internet. Martelen wordt misschien wel eens gezien als iets middeleeuws en toen kwam het ongetwijfeld meer voor dan nu. De praktijk was zelfs gelegaliseerd. Dat was, zoals gezegd, nog steeds zo toen Montaigne raadsheer was bij het Parlement (gerechtshof) van Bordeaux. Montaigne had echter een duidelijke mening over deze praktijk. Ik citeer uitvoerig uit de vertaling van zijn Essays door Frank de Graaff (Boom 2001; pp. 430-1):

“Folteringen zijn een gevaarlijke uitvinding en het lijkt erop dat ze meer een toetsing van het uithoudingsvermogen zijn dan van de waarheid. Zowel degene die ze kan verdragen als degene die dat niet kan verbergt de waarheid. Want waarom zou de pijn mij eerder bewegen iets te bekennen dat waar is dan me dwingen iets te zeggen dan niet waar is? En omgekeerd, als iemand, die datgene waarvan hij beschuldigd wordt niet gedaan heeft, volhardend genoeg is om die folteringen te verdragen, waarom zou iemand die dat het wel gedaan heeft dat niet zijn, als hem zo’n mooie beloning als het leven in het vooruitzicht wordt gesteld? … [H]et is, om de waarheid te zeggen, een middel vol onzekerheid en gevaar. Wat zou men niet zeggen en wat zou men niet doen om aan zulke hevige pijnen te ontsnappen? ‘Pijn dwingt ook onschuldigen om te liegen.’ (Publius Syrus …) Zodat het resultaat is dat de rechter degene die hij heeft doen folteren, om hem niet onschuldig terecht te stellen, onschuldig én gefolterd laat sterven. Duizenden en duizenden hebben hun eigen hoofd met valse bekentenissen belast.” Enz.

Montaigne zelf heeft bij het gerecht niet rechtstreeks met het martelen te maken gehad of er zelfs maar opdracht toe gegeven. Hij was een soort van onderzoeksrechter die het bewijsmateriaal voor gerechtszaken moest aanleveren maar er zelf niet over oordeelde. Montaigne was niet tegen de doodstraf, maar dan, om de woorden van Johan van Oldenbarnevelt tegen de beul te gebruiken toen hij op het schavot stond: Maak het kort. Een marteldood is zinloos en wreed.
In een voorbeeld laat Montaigne zien, hoe martelen niet alleen zinloos en wreed kan zijn maar ook onrechtvaardig:

“Een dorpsvrouw klaagde bij een legergeneraal … een soldaat aan omdat die haar kinderen het laatste beetje brei had afgepakt dat nog over was om hen te voeden… Een bewijs was er niet. Nadat de generaal de vrouw gemaand had zich goed te realiseren wat ze zei, omdat ze zich schuldig zou maken aan een valse getuigenis als ze loog, liet hij, daar ze voet bij stuk hield, de buik van de soldaat openen om de waarheid aan het licht te brengen. En het bleek dat de vrouw gelijk had. Een vonnis dat als bewijs dient!” (p. 432)

Maar wat als de vrouw toch gelogen had en de soldaat onschuldig zou blijken te zijn? Het doet me denken aan een andere praktijk die in Montaigne’s tijd ook niet ongewoon was: Van hekserij beschuldigde vrouwen werden soms in een meer gegooid. Als ze bleef drijven, was het bewezen dat ze een heks was en werd ze alsnog opgehangen. Als ze zonk en verdronk, dan was het bewezen dat ze onschuldig was. Alleen jammer dat ze de proef niet had overleefd.

Rond 1800 nam het aantal misdrijven waarvoor men gemarteld kon worden èn het aantal misdrijven waarvoor men ter dood kon worden veroordeeld sterk af. Martelen verdween uit de legale praktijk en vandaag de dag is het in bijna de hele wereld verboden.

Denk echter niet dat martelpraktijken iets van het verleden zijn. Ze kwamen vroeger misschien vaker voor dan vandaag en vandaag de dag zijn ze, zoals gezegd, in veel landen buiten de wet, maar nu zijn de methoden vaak subtieler en psychologisch van aard. Onlangs nog waren er beelden op TV van gemartelde demonstranten in Wit-Rusland. Maar ook in democratische landen of namens deze landen komt het voor. Denk maar aan de Verenigde Staten tijdens de oorlog in Irak en dichterbij huis in Guantanamo. Maar wat te denken van de Deventer moordzaak, waarbij de psychologische druk zo hoog was dat dit leidde tot valse verklaringen? Barbertje moet hangen, één van de redenen dat dergelijke praktijken nog steeds niet uit de wereld zijn, ook niet uit Nederland.

woensdag 9 december 2020

Hoe ik de reacties op de coronapandemie voorspelde in "Rondom Montaigne"

Pagina 109 uit Rondom Montaigne waarin ik de reacties
 op een ramp als de Covid-19-pandemie voorzag.

Het is een jaar geleden dat ik mijn boek Rondom Montaigne gepubliceerd heb, dus een goede aanleiding hier eens wat passages uit mijn boek neer te zetten (aangepast voor deze blog). 

- We hebben ze iedere dag: Ontmoetingen. Veel ontmoetingen zijn eenmalig maar een enkele keer hebben ze een gevolg en zijn ze het begin van een blijvend contact. We noemen ze daarom eerste ontmoetingen. Veel eerste ontmoetingen zijn routinematig en niet bijzonder. Sommige zijn echter speciaal. We keken ernaar uit of ze vonden plaats bij een bijzondere gelegenheid of ze verliepen dramatisch. Bij veel eerste ontmoetingen zoekt de een de ander op. Zeggen eerste ontmoetingen daarom niet veel over onszelf? 

- Eens sprak Montaigne in Bordeaux met een drietal Braziliaanse indianen. In hun taal is het gebruikelijk, naar Montaigne ons vertelt, om de mensen de helften van elkaar te noemen. Houden ze ons daarmee niet een spiegel voor? Want zo laten ze ons zien dat we nog veel van andere culturen kunnen leren, want hiermee vertellen deze indianen ons: Houd rekening met de ander, ook als die beneden je staat of afhankelijk van je is. Want de ander maakt deel van jou uit en is je wederhelft. 

- Montaigne had op de balken in de werkkamer van zijn kasteel een groot aantal spreuken aangebracht, meest in het Latijn. Eén van die spreuken luidt: “Niets in het leven is aangenamer dan aan niets te denken, want niet denken doet geen pijn.” Toch was Montaigne zelf een groot denker. Zijn denken was vaak buiten de orde, buiten de orde van toen en buiten de orde van vandaag. Hij bracht zijn opvattingen ook in de praktijk, want welke kasteelheer laat nu in een tijd van burgeroorlog de poort van zijn kasteel openstaan? Dat deed Montaigne, want als een rover ziet dat de eigenaar het niet de moeite waard vindt zijn bezit te verdedigen, dan is er kennelijk niets te halen en de rover gaat voorbij. Zo dacht Montaigne; en het werkte.

- “Alles heeft zijn tijd”, leert Montaigne ons. Voor hem zijn een bepaalde levensfase en wat je daarin wel of niet kunt doen aan elkaar gekoppeld. Je leert een nieuwe taal als je jong bent, maar als je oud bent, is dat dwaas, want wat heb je er dan nog aan? Alles heeft zijn seizoen en dat is de natuurlijke gang van zaken. Maar deze natuurlijke gang van zaken wordt vandaag de dag steeds meer doorbroken, want alles is maakbaar geworden. Neem nu appels: Vroeger lagen er in het ene seizoen heel andere appelrassen in de winkel dan in het andere seizoen. Er was een seizoensritme van opeenvolgende appelsoorten. Ieder jaar begon die cyclus opnieuw. Vandaag de dag is dit seizoensritme echter vrijwel verdwenen en nu vind je het hele jaar door dezelfde appels in de winkel, ongeacht het seizoen. Dat is gemakkelijk, want zo kun je het hele jaar díe appel kopen die je lekker vindt. Dit voorbeeld illustreert hoe we steeds minder afhankelijk van de natuur zijn geworden. Tenminste dat denken we, maar als er een echte ramp is zoals een kernramp of een aardbeving, weten we dan wel wat we moeten doen? Ja, er zijn instanties, hulpverleners en regelingen die de fysieke kant van de zaak aanpakken, maar zijn we er mentaal op voorbereid? Steeds minder zijn we in staat het onverwachte op te vangen en als er wat gebeurt, dan richten we onze frustratie maar tegen anderen.
Het voorgaande schreef ik profetisch een jaar geleden ongeveer zo in mijn boek. Inderdaad, profetisch want wat zien we nu: Er is een pandemie uitgebroken en velen raken mentaal in paniek, omdat ze niet meer weten hoe met zoiets om te gaan. De overheid en virologen krijgen de schuld van de gevolgen en worden in een kwaad daglicht gesteld of zelfs bedreigd. Of er wordt gedacht dat er een samenzwering is: Het virus zou met opzet worden verspreid, om wat voor reden dan ook. Maar de simpelste oorzaak van de ramp wordt door velen weggeredeneerd, omdat ze die mentaal niet meer kunnen begrijpen: De pandemie is een natuurverschijnsel en het virus is op natuurlijke wijze ontstaan. Daarom is het belangrijk dat seizoensritmes en andere afhankelijkheden van de natuur blijven bestaan, want ze leren ons mentaal bij de les te blijven: De les die dat we deel uitmaken van de natuur. “Alles heeft zijn tijd”, zoals Montaigne ons leerde. 

-.-.-.-.-.- 

Nieuwsgierig? Nog een kerstcadeau nodig? Hier links op deze pagina, onder de foto van de voorkant van mijn boek, vind je de bestelinformatie van mijn boek Rondom Montaigne. Of volg onderstaande link naar mijn website om het boek te bestellen. Op deze pagina van mijn website staat ook de volledige inhoudsopgave van mijn boek:
https://www.youtube.com/watch?v=6F2yETNvc7w

donderdag 29 oktober 2020

Het graf van Montaigne

De cenotaaf van Montaigne in 
Musée d'Aquitaine in Bordeaux

Montaigne overleed op 13 september 1592. Zijn lichaam werd op 1 mei van het volgende jaar bijgezet in de kapel van het klooster van de Feuillants in Bordeaux en zijn hart in het kerkje van Saint-Michel-de-Montaigne. Montaigne’s vrouw liet een rijkversierde cenotaaf maken, die in 1603 op het graf werd geplaatst. De kerk werd verbouwd en in 1614 werden grafkist en cenotaaf aldaar geplaatst in een kapel gewijd aan St. Bernard. Tijdens de Franse Revolutie werden veel grafmonumenten van edelen vernield, maar dat van Montaigne bleef gespaard. In 1802 werd het klooster een lyceum en grafkist en cenotaaf kwamen in de kapel van het lyceum. In 1871 breekt daar een brand uit, waarbij de cenotaaf licht beschadigd wordt. In 1880 worden de resten van Montaigne tijdelijk overgebracht naar de begraafplaats van de Chartreuse in Bordeaux. In 1886 gaan ze terug naar het nieuwe gebouw dat op de plaats van het lyceum is neergezet en dat aan de universiteit behoort en de faculteit der wetenschappen en letteren herbergt. De cenotaaf wordt in de hal geplaatst en de grafkist in het souterrain, bijna recht onder de cenotaaf. In 1987 wordt het Musée d’Aquitaine in het gebouw van de faculteit gevestigd. De cenotaaf krijgt in het museum een speciale plaats, maar aan het graf en de grafkist denkt kennelijk niemand. 

Toen ik een aantal jaren geleden in Bordeaux was, had ik natuurlijk graag het graf van Montaigne willen bezoeken. Het bovenstaande was echter het enige wat ik over dit graf wist. Ja, zijn cenotaaf was net gerestaureerd en was in volle glorie in een speciaal daarvoor ingerichte zaal van het museum te aanschouwen. Maar hoe zat het met het graf zelf? Ook op Internet was geen informatie te vinden. Waar was Montaigne gebleven?
Dit was ook wat de nieuwe directeur van het Musée d’Aquitaine, Laurent Védrine, wilde weten. Uiteraard was bovenstaande geschiedenis van het graf van Montaigne bekend, maar in feite was het graf in vergetelheid geraakt. Er waren trouwens ook twijfels of het wel werkelijk de resten van Montaigne waren die in 1886 in het souterrain van het museum waren bijgezet. Er was dus reden om een onderzoek in te stellen. Een eerste verkenning eind 2018 via openingen in de wand van de grafkelder onder in het museum met een minicamera bracht aan het licht dat zich daar een houten grafkist bevond met ernaast een schedel. Op de grafkist was een geelkoperen plaquette aangebracht met de inscriptie “Michel de Montaigne”. Alles wees er dus op dat daar inderdaad de stoffelijke resten van Montaigne lagen, maar zeker was het niet. Er werd een onderzoeksaanvraag ingediend, omdat er voor archeologisch onderzoek nu eenmaal officiële toestemming nodig is en toen deze was afgekomen kon het eigenlijke onderzoek beginnen. Op 18-19 september 2019 worden de grafkelder en vervolgens de grafkist geopend. De eikenhouten kist is goed bewaard gebleven. Naast de kist ligt een grote loden koker. De kist wordt naar buiten geschoven. Op de kist blijkt niet alleen een plaquette bevestigd maar ook staat er in grote bruine letters “Montaigne” op geschilderd. Ook staat er “24/12/80” op geschreven. Dit kan verwijzen naar de dag dat het lichaam van Montaigne in de kapel van het lyceum werd opgegraven en naar de begraafplaats van de Chartreuse werd gebracht, namelijk 24 december 1880. De stoffelijke resten van Montaigne werden toen in een nieuwe kist gelegd. Alles wijst er dus op dat het inderdaad om het graf van Montaigne gaat. De kist wordt geopend. Maar dan komt er een verrassing: In de houten kist blijkt zich een tweede, loden kist te bevinden. De loden kist is beschadigd en door spleten kunnen de onderzoekers met een camera zien dat er menselijke botten en een schedel liggen. Om besmettingen te voorkomen en om te voorkomen dat bij onvoorzichtige opening de inhoud van de grafkist wordt beschadigd, wordt het onderzoek stilgelegd. De loden koker wordt nog wel geopend. Er zit een glazen fles in gevuld met papier. Mogelijk zit er een kopie van de acte van de herbegraving in. Dit zal later uitgezocht worden. Begin 2020 zal men verdergaan met de opening van grafkist en koker. In die tussentijd wordt echter allerlei ander onderzoek gedaan, zoals naar de graftombe waarin de kist geplaatst was, naar het hout van de grafkist en naar de schedel en enkele tanden die buiten de kist zijn aangetroffen. Na opening van de loden grafkist zal er DNA van de stoffelijke resten worden genomen, dat dan met hedendaagse vrouwelijke afstammelingen van Montaigne vergeleken moet worden. Een deel van het hiervoor nodige genealogische onderzoek is overigens al verricht maar het lastige is dat de privacywetgeving het bemoeilijkt om nog levende afstammelingen van Montaigne op te sporen. Verder moet door archiefonderzoek worden nagegaan hoe het stoffelijk overschot van Montaigne op die plaats terecht is gekomen.
Dan komt de coronacrisis en de opening van de kist wordt voorlopig uitgesteld. Tussen 14 en 21 september 2020 kan dit eindelijk plaatsvinden. Zowel de loden kist als de loden koker worden geopend. In de kist bevinden zich een schedel, haar en botresten. Alles wat in de kist aanwezig is zal nu nauwkeurig worden onderzocht, inclusief de dode insecten die er liggen. In de loden koker zit een glazen fles, zoals apothekers die in de 19e eeuw gebruikten. In de fles zit een document. Er staat op geschreven dat Michel Montaigne (sic) op 11 maart 1886 daar in het gebouw van de faculteit in een crypte is bijgezet. Dit document zal verder op echtheid onderzocht worden.
Hiermee is het onderzoek naar het graf en de stoffelijke resten van Montaigne weer een stap verder. Tot nu toe wijst alles erop dat in het souterrain van het Musée d’Aquitaine het graf van Montaigne is gevonden. Binnen afzienbare tijd zullen we het weten. 

Bronnen
De meeste informatie over het onderzoek naar het graf van Montaigne is te vinden op diverse websites en webpagina’s van het Musée d’Aquitaine in Bordeaux en van de Université Bordeaux Montaigne. Hier staan ook enkele video’s die de fasen van het onderzoek samenvatten en toelichten:

Musée d’Aquitaine
- https://www.pourmontaigne.fr/
- http://www.musee-aquitaine-bordeaux.fr/fr/article/le-mystere-du-tombeau-de-montaigne
- https://www.pourmontaigne.fr/la-fouille-archeologique-etape-par-etape-4/
- http://www.musee-aquitaine-bordeaux.fr/fr/article/le-mystere-du-tombeau-de-montaigne

Université Bordeaux Montaigne
- https://www.u-bordeaux-montaigne.fr/fr/actualites/recherche/annee-2019-2020/tombeau-de-montaigne-a-la-recherche-de-notre-histoire.html 

Zie verder
- website Le Matin https://www.lematin.ch/story/le-tombeau-de-montaigne-exhume-le-mystere-demeure-765481436084
- website Le Point https://www.lepoint.fr/culture/bordeaux-le-tombeau-de-montaigne-revele-ses-premiers-mysteres-20-11-2019-2348642_3.php
- website Sciences et Avenir https://www.sciencesetavenir.fr/archeo-paleo/patrimoine/la-tombe-de-montaigne-commence-a-livrer-ses-secrets_139132

 

woensdag 23 september 2020

Wie was Simon Millanges, drukker van de Essays?

Het drukkersmerk van Simone Millanges 
(Bibliothèque municipale de Bordeaux)

In mijn laatste blog had ik een foto geplaatst van een huis in Bordeaux aan de Rue Saint James 28 en ik had eronder geschreven dat hier de drukkerij van Simon Millanges, de drukker van Montaigne’s Essays, gevestigd was. En inderdaad, zo had ik het op het Internet gevonden in een Montaigne-wandeling, die ik een paar jaar geleden ook zelf in Bordeaux gemaakt heb. En inderdaad bevindt zich in het plaveisel voor het pand een steen met de tekst dat hier Millanges’ drukkerij gevestigd was. En inderdaad, noemt de eigenaar het bedrijf dat er gevestigd is “Espace Mill Anges” (Duizend Engelen Ruimte), onder verwijzing naar de vroegere drukkerij. Wie schetst echter mijn verbazing dat ik op zoek naar meer informatie over Montaigne’s drukker op andere op het oog toch betrouwbare websites tegenkwam dat Simon Millanges zijn bedrijf niet op nummer 28 maar op nummer 16 in de Rue Saint James gevestigd had. Wie zal het zeggen? Hier in Nederland achter mijn computer kan ik dit probleem niet oplossen. Laat ik me dus concentreren op de vraag wie deze man nu eigenlijk was.Simon Millanges is oorspronkelijk niet uit Bordeaux afkomstig maar is in 1540 of 1541 geboren Mille-Millanges in de huidige commune (gemeente) Saint-Goussaud in het departement Creuse in Midden-Frankrijk. Hoe het hem in zijn jeugd verging, weten we niet, maar hij studeerde rechten en liet zich vervolgens als advocaat inschrijven bij het Parlement (gerecht) van Bordeaux, waar ook Montaigne een tijdlang (1557-1571) werkzaam was en wel als raadsheer, evenals Montaigne’s beroemde vriend Étienne de La Boétie. Mogelijk hebben ze elkaar daar gekend, maar daar heb ik geen informatie over. Onwaarschijnlijk is dat natuurlijk niet, omdat Millanges vanaf omstreeks 1562 regent was van het beroemde Collège de Guyenne, waar ook Montaigne eerder naar school gegaan was. Deze school was een bolwerk van de Renaissance met beroemde leraren als Buchanan, Sainte-Marthe, Élie Vinet (destijds rector van het Collège) en de Gouvéa. In 1576 trouwde Millanges met Gaillarde De Sault. Ze hadden vier kinderen.Toen Millanges zich in Bordeaux vestigde, was er geen goede drukkerij in de stad. Er was slechts een kleine drukker die niet aan de wensen van de humanisten in de stad kon voldoen. Hiertoe aangezet door Vinet en enkele vrienden kocht Millanges twee drukpersen en wat er verder voor een drukkerij nodig was en opende op 17 juni 1572 zijn bedrijf in de Rue Saint James. Enkele maanden later stopte hij met zijn werk als leraar aan het Collège de Guyenne. Hij zou de rest van zijn leven drukker en boekhandelaar blijven. Het eerste boek dat Millanges zou drukken was een werk van Élie Vinet. In 1573 wordt Millanges officiële stadsdrukker van Bordeaux. Hij moet dan wel beloven om geen verboden of “schandalig” werk te drukken en de rest van zijn leven in de stad te blijven wonen.Op de persen van Millanges zijn vele werken van destijds bekende humanisten gedrukt. Naast dat van Vinet, was dat werk van o.a. Pierre Charon, Florimond de Raemond, Blaise de Monluc en uiteraard in 1580de Essays van Michel de Montaigne. In een latere editie van de Essays klaagt Montaigne erover dat hij zijn eigen papier moest meebrengen, terwijl later bij publicatie van de Essays in Parijs de drukker-uitgever alle kosten voor zijn rekening nam. Maar ja, hoe vaak is het vandaag de dag bij nieuwe schrijvers niet anders en moeten ze hun publicaties zelf bekostigen? In ieder geval weerhield het Montaigne er niet van om ook de tweede editie van de Essays bij Millanges te laten drukken.In 1614 verkoopt Simon Millanges zijn drukkerij en boekhandel aan zijn zoon Jacques en zijn schoonzoon Claude Mongiron, maar neemt zijn bedrijf drie jaar later weer op. In juni 1623 overlijdt hij op de leeftijd van 82 jaar. Zijn erfgenamen nemen dan zijn boekwinkel over. 

Bron
- “Simon Millanges”, in Wikipédia, https://fr.wikipedia.org/wiki/Simon_Millanges.
- Dast Le Vacher de Boisville, Jean-Numa, Simon Millanges, imprimeur à Bordeaux, 1572-1623. Parijs: Hachette Livre, print on demand herdruk, 2020 (oorspronkelijk 1897).

- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.

vrijdag 7 augustus 2020

Hoe dom kun je zijn

 

In dit pand in de Rue Saint James in Bordeaux was de drukkerij 
van Simon Millanges gevestigd waar Montaigne de eerste editie
 van zijn Essays heeft laten uitgeven.

Ik lees veel filosofische boeken, maar de Essays van Montaigne is een van de weinige werken die ik verschillende malen heb gelezen. Geen wonder, want Montaigne was zijn tijd ver vooruit en veel van wat hij meer dan vier eeuwen geleden geschreven heeft was niet alleen relevant in zijn tijd maar is vandaag de dag nog steeds modern. Zoiets intrigeert. Bovendien heeft Montaigne een goede stijl van schrijven. Maar eigenlijk weet ik niet of dit wel de reden is dat ik de Essays lees en herlees. Het is iets onbestemds. Montaigne en zijn Essays intrigeren me gewoon, en niet alleen mij, denk ik.
Eén van de interessantste essays in Montaigne’s boek is de “Apologie voor Raymond Sebond”. Je treft het aan in Boek II en dit essay is zo lang dat het eigenlijk een boek op zichzelf is. Je vraagt je af, waarom Montaigne het niet afzonderlijk heeft uitgegeven. Waarschijnlijk had Montaigne deze Apologie niet geschreven, als zijn vader hem niet gevraagd had de Theologia Naturalis van de Catalaanse filosoof Raimundo de Sabunde (ong. 1385-1436; Raymond Sebond, in het Frans) te vertalen. Hij kon deze vertaling pas na de dood van zijn vader voltooien en publiceren. Door dit verzoek van zijn vader kwam Montaigne intensief in contact met het werk van Sabunde en dit stimuleerde hem zijn ideeën over wetenschap, kennis en theologie op te schrijven.
Ik zal hier geen samenvatting van de “Apologie” geven en deze becommentariëren en in een kader plaatsen. Het stuk staat echter vol met ideeën en het laat zien hoe Montaigne in een aantal opzichten een voorloper is van Descartes. In een andere blog op deze website (“Op de schouders van reuzen: Montaigne en Descartes”) heb ik er al op gewezen dat Descartes Montaigne regelmatig plagieerde of ideeën van hem overnam zonder Montaigne’s naam te noemen (wat vandaag de dag in de wetenschap als doodzonde geldt, was toen een normale praktijk). Maar in plaats van een bespreking van de “Apologie” pik ik er gewoon wat uit. Neem bijvoorbeeld dit citaat: “Wie met het nodige verstand de ezelachtigheden van de menselijke wijsheid verzamelde en bundelde, zou ons wonderlijke dingen kunnen vertellen.” (p. 639) Montaigne schreef deze zin op, nadat hij in het voorafgaande een reeks van stompzinnigheden had opgesomd, die de mensen in de loop der eeuwen begaan hadden. En is er sinds Montaigne ook maar iets in het menselijk gedrag veranderd? Kijk maar eens naar de stupiditeiten die mensen momenteel aanvoeren over het ontstaan van de huidige coronapandemie. Sommigen denken zelfs dat het virus met helikopters verspreid wordt. Of kijk maar naar andere zogenaamde “wetenschappelijke feiten” van het type dat Montaigne in zijn “Apologie” opsomt.
Ook op politiek gebied vinden er heel wat ezelachtigheden plaats van het soort dat Montaigne aanhaalt. Beroemd, of berucht, zo je wilt, is de wijze waarop de Berlijnse Muur destijds plotseling openging. Maar de muur op zich was natuurlijk al een stupiditeit. Hoe dom is het idee dat je een land met een muur kunt afsluiten. Van tevoren al had je de afloop kunnen voorspellen, als je een beetje visie gehad had: Òf het zou een totale mislukking blijken te zijn, òf het zou tot een Derde Wereldoorlog leiden. In beide gevallen was het een idioot idee om zo’n muur te bouwen en, gelukkig dan maar, bleek het uiteindelijk een mislukking. Maar hoe lang heeft het moeten duren voordat men daarachter kwam! En wat was de reactie van Margaret Thatcher, destijds Eerste Minister van het Verenigd Koninkrijk, een dag na de val van de muur? Ze belde Michael Gorbatsjov, de leider van de Sovjet-Unie en vroeg hem de eenwording van Duitsland tegen te houden. “Laat ze (de Oost-Duitsers) toch achter hun Muur blijven”, zei ze hem. Hoe dom. Of neem de reactie van de Franse president François Mitterand, die bang was dat een machtig Duitsland zou herrijzen.
Als je kijkt hoe het na de val van de Berlijnse Muur in Duitsland en Europa verdergegaan is, kun je om zulke stommiteiten alleen maar lachen en de spot drijven met de mensen die toen zulke vooraanstaande posities innamen maar kennelijk geen vooruitziende blik hadden. Destijds was het allemaal echter een serieuze aangelegenheid. Waren de opvattingen van Thatcher en Mitterand gevolgd, dan zouden we nu in een andere wereld geleefd hebben.
Om nog even verder te gaan met de grillen en grollen van de geschiedenis, wie zou na twee wereldoorlogen gedacht hebben dat de leiders van de twee aartsvijanden Duitsland en Frankrijk ooit hand in hand deze oorlogen zouden herdenken en dat deze landen verbonden zouden worden in een politiek-economische unie met ook nog een president aan het hoofd? Moeten we zoveel oorlogen voeren om dat te bereiken? Montaigne heeft gelijk, als hij zegt dat de menselijke geest in de loop der eeuwen veel dwaze gebeurtenissen voortgebracht heeft. Het is wel jammer dat we dat vaak alleen maar achteraf zo kunnen zien. Kennis van nu is toch wat anders dan kennis van toen.

Om verder iets van de geest van Montaigne in zijn “Apologie” te laten zien, sluit ik deze blog af met een aantal citaten, als een soort van losse flodders. Maar de “Apologie” gaat veel verder dan deze wijsheden, die maar al te gemakkelijk als tegeltjeswijsheden zijn op te vatten. Met de “Apologie” was Montaigne een wegbereider voor veel filosofen na hem, zoals Descartes.

- “Wanneer ik met mijn poes speel, wie weet dan of zij mij niet meer als amusement gebruikt dan ik haar?” (p. 525)

- “De geest van de keizer en die van een schoenlapper zijn uit het zelfde hout gesneden.” (p. 553)

- “De dingen waarvan men het minste weet, zijn het meest geschikt om vergoddelijkt te worden.” (p. 603)

- “Op geaccepteerde postulaten kan men zonder problemen iedere theorie bouwen die men wil.” (p. 632) 

---

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.

zaterdag 13 juni 2020

Wat las Montaigne ?


Exemplaar van de Essays uit 1611 in het 

Musée d'Aquitaine in Bordeaux

Montaigne hield van boeken. Hij had er dan ook heel wat. Ongeveer duizend boeken stonden er in de boekenkast in zijn bibliotheek. Dat lijken er misschien niet zo veel voor een boekenverzamelaar vandaag de dag, maar Montaigne leefde in een andere tijd. Destijds konden niet veel mensen het zich permitteren zo’n boekencollectie aan te schaffen. En je had er ook nog de nodige ruimte voor nodig, want boeken waren nog echte folianten. Montaigne had trouwens een deel van zijn boeken niet zelf aangeschaft maar geërfd van zijn overleden vriend Étienne de La Boétie. Deze had zijn boeken op zijn sterfbed aan Montaigne nagelaten. Helaas heeft Montaigne’s dochter al de boeken van haar vader na zijn dood verkocht of weggegeven.
Momenteel loopt er een project om Montaigne’s bibliotheek te reconstrueren. Deze (Franstalige) website laat zien hoe de bibliotheek eruit moet hebben gezien: https://montaigne.univ-tours.fr/restitution-3d/. Het zou echter interessant zijn, als we de boeken hadden gehad, die daar werkelijk gestaan hadden, want Montaigne had de gewoonte in zijn boeken aantekeningen te maken. Zo zouden ze ons kunnen helpen zijn intellectuele ontwikkeling te reconstrueren. Gelukkig zijn niet alle boeken uit Montaigne’s bibliotheek verloren gegaan. Ongeveer honderd exemplaren zijn later teruggevonden en in diverse bibliotheken in Frankrijk maar ook in Engeland staan boeken die in het bezit van Montaigne zijn geweest. In negentien van deze teruggevonden boeken staat rechtsboven op de titelpagina in het handschrift van Montaigne “b.” geschreven. Kennelijk heeft hij hiermee willen aangeven, dat ze uit de erfenis van La Boétie afkomstig waren. In een twintigste exemplaar staat “B.” geschreven in het handschrift van Montaigne en dit boek is waarschijnlijk ook uit de erfenis afkomstig. De teruggevonden boeken bevatten ook aantekeningen van Montaigne, zodat uit zijn boeken wel iets over zijn intellectuele ontwikkelingen is af te leiden.
We weten dat Montaigne zijn boekenkast aan La Boétie had gewijd. Dit bleek uit een opschrift op een bordje dat hij op de boekenkast had aangebracht. Tot aan 1820 moet het nog in de bibliotheek in de toren van Montaigne’s kasteel aanwezig zijn geweest en iemand heeft de tekst opgeschreven. Sindsdien is het bordje verloren gegaan en ook de boekenkast is er niet meer. We kunnen alleen nog de bevestigingspunten ervan in de muur zien.
Wat Montaigne gelezen heeft en bovenal wat hem interesseerde weten we vooral uit zijn Essays. Hij heeft zelfs een essay met de titel “Over boeken” geschreven (Boek II, 10). Hij schrijft erin waarom hij graag leest: “Ik zoek in boeken niets anders dan mij met een waardig tijdverdrijf te amuseren, en als ik studeer zoek ik alleen naar de wetenschap die mij iets vertelt over het kennen van mijzelf en die me leert op de juiste manier te sterven en te leven.” (p. 477). Over dit laatste, hoe te sterven en te leven, schreef Montaigne ook zelf in zijn Essays en misschien daarom wel wordt dit boek nog steeds zo veel gelezen. De Essays is een van de klassiekers die je moet lezen, als je wilt weten wat filosofen onder goed leven verstonden.
Montaigne gaf de voorkeur aan de klassieke literatuur boven boeken uit zijn eigen tijd. Hij vindt de klassieken “rijker en sterker” dan de modernen (p. 478). Hij leest boeken ook het liefst in de oorspronkelijke taal. Daarom leest hij vooral Latijnse werken, want zijn “schooljongenskennis”, zoals hij dat noemt (ibid.), van het Oudgrieks is onvoldoende om teksten in die taal goed te begrijpen. Trouwens, Montaigne had vaak geen keus dan de Latijnse auteurs in het Latijn te lezen, want veel van hun werk was nog niet in het Frans vertaald. Bedenk dat het de tijd van de Renaissance was, waarin veel van dat werk opnieuw ontdekt werd. Montaigne leest trouwens wel af en toe moderne schrijvers en hij vindt met name Boccaccio’s Decamerone (omstreeks 1350), het werk van Rabelais (1483-1553) en de Basia (Kusgedichten; uit 1541) van Janus Secundus de moeite waard. De laatste was overigens een Nederlandse humanist, die vandaag de dag nog maar weinig bekend is. Zijn eigenlijke naam was Jan Everaerts).
Van de klassieken noemt Montaigne in zijn essay “Over boeken” allereerst de poëzie van Vergilius, Lucretius, Catullus en Horatius. Van Vergilius noemt hij met name de Aeneis. Dit is een episch gedicht, dus niet iets wat we vandaag de dag poëzie zouden noemen. Naast deze auteurs las Montaigne ook graag het werk van de klassieke toneelschrijvers Plautus en Terentius. Montaigne kan het niet nalaten op te merken dat hij niet hield van het werk van de in zijn tijd populaire Italiaanse dichter en toneelschrijver Ludovico Ariosto (1474-1533). Ik denk dat veel mensen vandaag de dag Ariosto niet kennen, tenzij je operaliefhebber bent, want componisten als Vivaldi en Händel gebruikten zijn teksten voor diverse opera’s. Ariosto werd in Montaigne’s tijd vaak met Vergilius vergeleken, zoals Ariosto’s Orlando Furioso met de Aeneis. Ten onrechte, vindt Montaigne: “De [Aeneis] zien we in hoge, bestendige vlucht, met krachtige vleugelslagen consequent op zijn doel afgaan, terwijl de [Furioso] van verhaal naar verhaal fladdert, alsof hij van tak naar tak hipt, omdat hij alleen voor een heel korte vlucht op zijn vleugels vertrouwt en aan het eind van ieder veld neerstrijkt omdat hij bang is buiten adem te raken en geen kracht meer te hebben.” (p. 481) Plastischer kun je het haast niet zeggen. Overigens heeft Montaigne’s vriend Étienne de La Boétie delen van Ariosto’s werk in het Frans vertaald.
Montaigne hield het meest van de genoemde auteurs en hij vond ze amusant om te lezen. Ander werk dat hij graag las, “waarin iets meer het nuttige met het aangename wordt verenigd, en die mij leert mijn stemmingen te beheersen en mijn karakter te disciplineren,” zijn dat van Plutarchus “sinds die er in het Frans is” en Seneca “die deze functie voor mij hebben.” (ibid.) Plutarchus was een Griek, maar sinds La Boétie werk van hem vertaald had, kon Montaigne het lezen. Montaigne las ook de Brieven van Seneca, die ook nu nog populair zijn. En natuurlijk las hij Cicero. Hij vond vooral diens moraalfilosofie nuttig voor hemzelf, maar hij hield niet van zijn schrijfstijl
De laatste categorie boeken die Montaigne noemt zijn geschiedenisboeken. Ze zijn “aangenaam en gemakkelijk” (p. 485) en ze laten zien hoe de mens is. Dit geldt vooral voor biografieën, zijn favoriete lectuur. Hij noemt hier Diogenes Laërtius, die een biografie van Griekse filosofen heeft geschreven. Maar Montaigne raadt toch vooral het werk van Caesar aan, niet alleen vanwege de kennis van de historische feiten, “maar om hemzelf; zozeer overtreft hij in zijn volmaaktheid alle anderen” (p. 486) – tenminste, dat is wat Montaigne ervan vindt. Montaigne las ook werk van zijn tijdgenoot Jean Bodin (1530-1596), die niet zo zeer een historicus als wel een politiek filosoof was.
Montaigne las deze auteurs niet alleen voor zijn plezier en om zichzelf te verbeteren, maar in de Essays worden ze ook vaak aangehaald, vooral de klassieke auteurs. Dus al is de bibliotheek van Montaigne bijna helemaal verloren gegaan, we weten op deze manier toch wat hij gelezen heeft. Er wordt wel gezegd: “Zeg met wat je leest en ik zeg je wie je bent.” We kunnen dit ook op Montaigne toepassen, maar zouden we niet gewoon zijn Essays lezen om te weten wie hij was?

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2001.