woensdag 7 april 2021

De vader van Montaigne


Ergens in zijn Essays noemt Montaigne zijn vader “de beste vader ooit”. Nu zullen misschien veel anderen dat ook van hun vader zeggen, maar uit de Essays blijkt dat hij een heel goede relatie met zijn vader heeft gehad. Behalve dat deze ongetwijfeld een invoelende vader geweest moet zijn, was hij het niet die Michel zo’n speciale opvoeding heeft gegeven die zijn zoon tot een bijzonder man heeft gemaakt? Nu weten we wel veel van de zoon, maar wie was eigenlijk deze Pierre Eyquem de Montaigne?
Net als later zijn zoon werd Pierre Eyquem in het Château de Montaigne geboren en wel op 29 september 1495. Het kasteel was in het bezit van de familie sinds zijn grootvader Ramon Felipe Eyquem (1402-1478) het gekocht had. Ramon Felipe was een koopman uit Bordeaux die door de handel in vis, wijn en indigo rijk was geworden. De zaken werden door zijn zoon Grimon Eyquem (1450-1519) voortgezet. Grimon was ook een tijdlang raadslid in het stadsbestuur van Bordeaux. Omdat Grimon Eyquem adeldom voor zijn familie nastreefde en een edele geen koopman kon zijn, brak hij op late leeftijd met deze familietraditie en besloot hij dat zijn zoon Pierre een ridderlijke opleiding moest volgen. Hij liet hem daarom als page in dienst treden van Jean de Durfort, burggraaf van Duras. In 1518 ging Pierre in het leger van koning Frans I, waar hij tien jaar soldaat was. Hij trad toe tot een compagnie boogschutters die alleen edellieden accepteerde. De dienst in het leger bracht Pierre Eyquem onder meer naar Italië, waar hij in contact kwam met de Renaissance en het Humanisme. Dit gaf hem allerlei ideeën die hem in zijn handelen en denken sterk zouden beïnvloeden, zoals bij de opvoeding van zijn zoon Michel.
Terug op zijn kasteel begon Pierre Eyquem zijn landgoed uit te breiden met de aankoop van nieuwe gronden. Zijn vrouw, een sterke persoonlijkheid, was hem bij het beheer van de terreinen behulpzaam. Hij was namelijk in 1529 getrouwd met Antoinette de Louppes de Villeneuve (1514–1603), waarschijnlijk een dochter uit een geslacht van (gedwongen) tot het christendom bekeerde Spaanse joden, die naar Frankrijk verhuisd waren. Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan Michel de oudste was, afgezien van twee die vroeg overleden waren. Ook ging Pierre Eyquem deelnemen aan het bestuurlijke leven van Bordeaux en hij bekleedde daar diverse hoge functies. In 1530 wordt hij benoemd tot eerste jurat en provoost van Bordeaux. Een jurat was wat we vandaag de dag in Nederland wethouder of in België schepen zouden noemen. De jurats kozen ook de burgemeester. Een provoost was een soort belastingadministrateur maar hield ook toezicht op het beheer van de gebouwen en goederen van de stad en had verder een aantal juridische bevoegdheden. In 1536 werd Pierre Eyquem tot onderburgemeester van de stad gekozen en ook weer herkozen tot provoost. In 1554 kreeg hij het hoogste ambt van de stad en werd burgemeester. Als burgemeester had hij de bijzonder lastige taak als afgezant van de stad naar koning Hendrik II te gaan om de verloren stadsrechten terug te krijgen. In 1548 waren deze Bordeaux namelijk ontnomen na een opstand van de bevolking tegen de zoutbelastingen. Pierre Eyquem kreeg de opdracht te proberen de koning met de stad te verzoenen. Bij wijze van verzoeningsgebaar had hij een flinke lading Bordeauxwijn meegenomen. Enige tijd daarna kreeg Bordeaux inderdaad zijn oude rechten terug.
Hoewel hij vaak in Bordeaux in zijn stadshuis verbleef, vergat Montaigne’s vader ook zijn status als edelman en kasteelheer niet. Hij bleef zich fysiek trainen als een echte ridder en hij ontving vooraanstaande gasten op zijn kasteel. Een van die gasten was Pierre Bunel, een geleerde uit Toulouse. Deze liet bij een bezoek in 1542 als geschenk het boek Theologia Naturalis van Raymond Sebond achter. Dit werk zou later grote invloed uitoefenen op de jonge Michel.
In 1554, het jaar dat hij burgemeester werd, kreeg Pierre Eyquem ook toestemming zijn kasteel, dat tot dan niet meer dan een groot herenhuis was, te versterken met een muur en torens. Dat was vanwege de gewelddadige godsdiensttwisten in de streek, die steeds sterker werden, ook wel nodig.
Pierre Eyquem overleed op 18 juni 1568 in Bordeaux, mogelijk aan de gevolgen van een niersteenaanval, een kwaal waaraan ook zijn zoon Michel zou lijden.
Pierre gaf zijn oudste zoon Michel een bijzondere opvoeding die sterk beïnvloed was door zijn aanraking met de Renaissance en het Humanisme in Italië. Direct na zijn geboorte werd Michel naar een voedster in een dorpje in de buurt gebracht. Hij zou er twee jaar blijven. Vervolgens besloot Pierre dat de moedertaal van zijn zoon Latijn zou zijn. Dit was door Erasmus in zijn boek De Pueris uit 1529 aanbevolen. Daarom stelde Pierre Eyquem een Duitse opvoeder voor zijn zoon aan, die geen Frans kende en hem in het Latijn moest opvoeden. Bovendien mocht iedereen in het kasteel met de jonge Michel alleen maar Latijn spreken. Pas toen Michel op zesjarige leeftijd naar het prestigieuze Collège de Guyenne ging om zijn scholing voort te zetten, ging hij weer Frans spreken, maar hij mocht er vanwege zijn kennis van het Latijn wel twee klassen overslaan. Hoewel Montaigne in zijn Essays zegt dat zijn kennis van deze taal later wegzakte, bleef het niveau voldoende om Latijnse werken in de oorspronkelijke taal te lezen. Om te voorkomen dat hij zijn Latijn zou vergeten gaf de vader Michel na zijn tijd op het Collège de Guyenne de opdracht de van Bunel gekregen Theologia Naturalis te vertalen. Michel zou deze taak ook uitvoeren en het resultaat later als boek publiceren, een jaar na de dood van zijn vader. Sebond’s werk zou, zoals gezegd, grote invloed op Montaigne uitoefenen en hij schreef een lange verhandeling over de Theologia Naturalis, die als verreweg het langste essay in Boek II van de Essays is opgenomen. Ook bezorgde Pierre Eyquem zijn zoon een baan als jurist bij het Cour des Aides van Périgueux, een soort van gerechtshof dat zich bezighield met belastingzaken. Deze instelling werd later met het Parlement van Bordeaux samengevoegd en naar die stad overgeplaatst, waardoor ook Montaigne in die stad terechtkwam. 

Bronnen
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014
- “Montaigne, Michel de (1533-1592)”, https://mediatheque.sainthilairederiez.fr/node/597440?&from=/node/597440

- “Pierre Eyquem de Montaigne, in Wikipedia, https://de.wikipedia.org/wiki/Pierre_Eyquem_de_Montaigne

woensdag 3 februari 2021

De arrogantie van de macht

De Place des Quinconces in Bordeaux waar in
 1565 de parade voor Koning Karel IX plaatsvond.


In 1565 maakt de jonge Franse koning Karel IX een rondreis door Frankrijk om als nieuwe vorst zijn gezag te laten bevestigen. Op 9 april is zijn blijde intrede in Bordeaux. Er is een enorme parade georganiseerd. In de stoet gaan ook gevangenen uit twaalf landen mee. Onder hen zijn Grieken, Turken, Arabieren, Moren en ook Indianen uit Brazilië. Ongetwijfeld was Montaigne als raadsheer bij het parlement – gerechtshof – van Bordeaux bij de plechtigheid aanwezig. Het is waarschijnlijk bij deze gelegenheid dat hij een aantal indianen heeft ontmoet (en niet in Rouen, zoals hij zelf zegt). Montaigne doet er veertien jaar later verslag van in zijn essay “Over de kannibalen”.
De koning spreekt lang met drie van de indianen, aldus Montaigne, en “men liet hun onze levensgewoonten zien, onze pracht en praal en de aanzichten van een mooie stad. Daarna vroeg iemand hun wat ze van dit alles dachten, en wilde weten wat ze verbazingwekkend hadden gevonden.” Het was de Indianen onder meer “opgevallen dat er mensen onder ons waren (het is in hun taal een gebruikelijke zegswijze om de mensen de helft van elkaar te noemen), die in alle mogelijke vormen van luxe baadden, terwijl hun ‘helften’ uitgeteerd door honger en armoede aan de deuren bedelden; en zij vonden het vreemd dat deze behoeftige ‘helften’ een dergelijk onrecht over zich heen lieten gaan zonder de anderen naar de keel te vliegen of hun huizen in brand te steken.” (I, 31: 260)
Impliciet in deze passage, maar ook in de andere antwoorden die de Indianen gaven en in de weergave van zijn eigen gesprek met een indianenkoning, stelt Montaigne de vraag naar de macht aan de orde: Waarom gehoorzamen we een koning eigenlijk? Waarop berust gezag? Montaigne stelt vragen bij de grondslagen van de maatschappij zoals hij die kende, zoals Philippe Desan in zijn politieke biografie van Montaigne laat zien, en hij wijst op de afhankelijkheid van de onderdanen van de machthebbers. Het zijn vragen die vandaag de dag nog steeds actueel zijn. Desan: “Deze afhankelijkheidsrelatie tussen armen (bedelaars) en rijken berust niet uitsluitend op geweld of is een kwestie van angst en onderdrukking, maar vestigt ook de aandacht op wat [Montaigne’s beroemde vriend] La Boétie de vrijwillige onderworpenheid noemt. Die gewaagde acceptatie van het idee van onderworpenheid is … het onderwerp van een beschouwing, waarbij Montaigne doet alsof hij een eenvoudig commentaar weergeeft, dat de Indianen in zijn aanwezigheid gaven. De impliciete verwijzing van de auteur van de Essays naar La Boétie vormt een aanwijzing dat Montaigne aan meer denkt dan wat hij hier zegt [wanneer de Indianen elkaar elkaars helften noemen]. ... In tegenstelling tot wat hij ons zegt, heeft deze omschrijving voor de Indianen betrekking op het hele sociale lichaam, gezien het feit dat het privébelang zich moet buigen voor het algemene belang. De behoeftigen zowel als de geprivilegieerden vormen de een de helft van de ander in een wederzijdse en noodzakelijke afhankelijkheid die een samenlevingsmodel weerspiegelt. De noodzaak zich niet van de andere helft af te snijden is een van de belangrijkste politieke lessen die Montaigne in dit echte of gefingeerde onderhoud met de Indianen van de Nieuwe Wereld geeft.” (Desan, 2014: 189; mijn cursivering)
Montaigne gebruikt dus het gesprek met de indianen voor een impliciete maatschappijanalyse. Voor mij is hier de vraag van belang die in de kritiek van de indianen op het leven in Bordeaux aan de orde komt: Zorgt de koning wel goed voor zijn onderdanen? Algemeen: zorgen de machthebbers wel goed voor hun ondergeschikten? Via de mond van de indianen laat Montaigne zien dat hieraan nogal wat schort. Maar kunnen de onderdanen die door de machthebbers slecht behandeld worden wel in opstand komen, zoals de indianen lijken te veronderstellen? Étienne de La Boétie heeft laten zien, dat dit niet zomaar gaat: Macht is structureel en berust op een netwerk van relaties. Om de macht te grijpen moet je dit netwerk weten te breken en daar komt nogal wat voor kijken. Alleenstaande burgers zijn daartoe zelden in staat. Het vereist organisatie van gelijkgestemden en het opbouwen van een eigen structuur. Deze complexe sociale werkelijkheid wil Montaigne hier kennelijk aan de orde stellen. De machthebbers zelf weten ook dat het heel moeilijk is om de machtsstructuur te doorbreken en hen uit het zadel te wippen. Dit maakt machthebbers arrogant tegenover hun onderdanen en ze verzaken bijvoorbeeld hun zorgplicht tegenover hen. Liever houden ze zich bezig met het vestigen van hun eigen belangen en hun relaties met andere hooggeplaatsten in de machtsstructuur, hetzij om zich tegenover hen te verdedigen hetzij om kongsis met hen te vormen tegenover derden. Intussen houden ze tegenover de buitenwereld de schijn op dat ze de rechtmatige machthebber zijn en dat het hun recht is en dat het noodzakelijk is hun eigen positie te handhaven of die te versterken. Desnoods doen ze dit hard. In de tijd van Montaigne was deze strijd aan de orde van de dag. De ene godsdienstoorlog volgde na de andere met de rooms-katholieken tegen de protestanten. Hertog Hendrik I van Guise was de leider van de katholieke factie en hij probeerde als hun aanvoerder zijn macht uit te bouwen. De protestanten werden geleid door koning Hendrik van Navarra, die in Zuid-Frankrijk zijn macht probeerde uit te breiden. Naast de godsdienststrijd speelde dan nog de strijd om het koningschap van Frankrijk, die uiteindelijk door de koning van Navarra werd gewonnen. En het volk werd in deze strijd gemangeld en was de lijdende partij.
Hoe macht volgens Montaigne en La Boétie werkt, heb ik eerder uitgebreid behandeld in mijn boek Rondom Montaigne. Ik moest er weer aan denken bij de recente ontknoping van de toeslagenaffaire, die leidde tot het aftreden van het Derde Kabinet Rutte. Goed, de tijden zijn veranderd. We zijn ruim vier eeuwen verder en de strijd wordt niet langer gestreden op het slagveld en met wapens, maar in het parlement en met woorden en met wetten. Maar de blote structuur is dezelfde gebleven, met alle gevolgen van dien. Er worden kongsis gevormd, die vandaag de dag coalities genoemd worden. De machthebbers kijken naar elkaar om de juiste zetten te kunnen doen in het politieke spel en om te zien hoe ze de anderen een hak kunnen zetten. Ze kijken naar de buitenwereld en proberen een goede relatie met de pers op te bouwen. En ze kijken naar hun achterban. Waren dat in Montaigne’s tijd de katholieken en de protestanten, nu zijn het de kiezers. Desnoods verandert een machthebber radicaal van mening om de macht te krijgen of te behouden, net als Hendrik van Navarra, die in één nacht van protestant katholiek werd om dan als Hendrik IV koning van Frankrijk te kunnen worden. “Parijs is me wel een mis waard”, zei hij. De arrogantie van de macht, zoals die ook in een democratie bestaat. Ach ja, er vallen dan uiteraard wel eens slachtoffers. Waar gehakt wordt vallen spaanders, in het geval van de toeslagenaffaire de duizenden, zo niet tienduizenden gezinnen waarvan het dagelijks bestaan vernield werd door een te strenge wet die van onschuldigen fraudeurs maakte.
De diverse regeringen, de eerstverantwoordelijken voor de hele affaire, wisten wel degelijk wat hun opdracht was. Zei minister-president Mark Rutte, die vanaf het begin tot het eind van de toeslagenaffaire alle regeringen die erbij betrokken waren heeft geleid, niet bij het aankondigen van het aftreden van zijn kabinet: “De rechtstaat moet de burgers beschermen tegen een almachtige overheid en dat is hier op een verschrikkelijke manier misgegaan.”? Oftewel, in termen van Montaigne, een regering moet voor de mensen zorgen maar heeft in deze zaak gefaald.
In “Over de kannibalen” brengt Montaigne zijn sociale kritiek via de mond van de indianen: Anderen houden ons een spiegel voor; van andere culturen kunnen we leren. Op deze wijze leert Montaigne ons: Houdt rekening met de ander, ook als die zijn ondergeschiktheid accepteert, want de ander maakt deel van ons uit. De ander is onze wederhelft. Snijd je niet van je wederhelft af, want dan snijd je in jezelf. Laten degenen die de macht uitoefenen, en meer nog, laten degenen die in een democratisch systeem de macht uitoefenen eens daaraan denken, te beginnen met de regering en het parlement.

Bronnen
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014.
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001. 

Zie ook
- Weg, Henk bij de, Rondom Montaigne. Den Haag: Uitgeverij U2pi, 2019.

Zie linksboven hier op deze blogpagina. In hoofdstuk 5 heb ik een uitgebreide analyse van macht in de visie van Montaigne en La Boétie gegeven.

woensdag 20 januari 2021

Martelen

Montaigne was in veel opzichten zijn tijd ver vooruit. Praktijken die in zijn tijd aan de orde van de dag waren, maar nu in onbruik zijn geraakt omdat ze als achterhaald worden beschouwd, of die vandaag de dag ronduit worden verworpen en misschien zelfs als wreed worden gezien, keurde hij af. Zoals martelen.
Martelen was in de dagen van Montaigne een gangbare gerechtelijke procedure. Het werd gebruikt om bekentenissen af te dwingen en als straf. Hoe wreed deze praktijk vaak was, wordt duidelijk als je een martelmuseum bezoekt (in Amsterdam, bijvoorbeeld, zijn er twee) of wanneer je een beetje googelt op internet. Martelen wordt misschien wel eens gezien als iets middeleeuws en toen kwam het ongetwijfeld meer voor dan nu. De praktijk was zelfs gelegaliseerd. Dat was, zoals gezegd, nog steeds zo toen Montaigne raadsheer was bij het Parlement (gerechtshof) van Bordeaux. Montaigne had echter een duidelijke mening over deze praktijk. Ik citeer uitvoerig uit de vertaling van zijn Essays door Frank de Graaff (Boom 2001; pp. 430-1):

“Folteringen zijn een gevaarlijke uitvinding en het lijkt erop dat ze meer een toetsing van het uithoudingsvermogen zijn dan van de waarheid. Zowel degene die ze kan verdragen als degene die dat niet kan verbergt de waarheid. Want waarom zou de pijn mij eerder bewegen iets te bekennen dat waar is dan me dwingen iets te zeggen dan niet waar is? En omgekeerd, als iemand, die datgene waarvan hij beschuldigd wordt niet gedaan heeft, volhardend genoeg is om die folteringen te verdragen, waarom zou iemand die dat het wel gedaan heeft dat niet zijn, als hem zo’n mooie beloning als het leven in het vooruitzicht wordt gesteld? … [H]et is, om de waarheid te zeggen, een middel vol onzekerheid en gevaar. Wat zou men niet zeggen en wat zou men niet doen om aan zulke hevige pijnen te ontsnappen? ‘Pijn dwingt ook onschuldigen om te liegen.’ (Publius Syrus …) Zodat het resultaat is dat de rechter degene die hij heeft doen folteren, om hem niet onschuldig terecht te stellen, onschuldig én gefolterd laat sterven. Duizenden en duizenden hebben hun eigen hoofd met valse bekentenissen belast.” Enz.

Montaigne zelf heeft bij het gerecht niet rechtstreeks met het martelen te maken gehad of er zelfs maar opdracht toe gegeven. Hij was een soort van onderzoeksrechter die het bewijsmateriaal voor gerechtszaken moest aanleveren maar er zelf niet over oordeelde. Montaigne was niet tegen de doodstraf, maar dan, om de woorden van Johan van Oldenbarnevelt tegen de beul te gebruiken toen hij op het schavot stond: Maak het kort. Een marteldood is zinloos en wreed.
In een voorbeeld laat Montaigne zien, hoe martelen niet alleen zinloos en wreed kan zijn maar ook onrechtvaardig:

“Een dorpsvrouw klaagde bij een legergeneraal … een soldaat aan omdat die haar kinderen het laatste beetje brei had afgepakt dat nog over was om hen te voeden… Een bewijs was er niet. Nadat de generaal de vrouw gemaand had zich goed te realiseren wat ze zei, omdat ze zich schuldig zou maken aan een valse getuigenis als ze loog, liet hij, daar ze voet bij stuk hield, de buik van de soldaat openen om de waarheid aan het licht te brengen. En het bleek dat de vrouw gelijk had. Een vonnis dat als bewijs dient!” (p. 432)

Maar wat als de vrouw toch gelogen had en de soldaat onschuldig zou blijken te zijn? Het doet me denken aan een andere praktijk die in Montaigne’s tijd ook niet ongewoon was: Van hekserij beschuldigde vrouwen werden soms in een meer gegooid. Als ze bleef drijven, was het bewezen dat ze een heks was en werd ze alsnog opgehangen. Als ze zonk en verdronk, dan was het bewezen dat ze onschuldig was. Alleen jammer dat ze de proef niet had overleefd.

Rond 1800 nam het aantal misdrijven waarvoor men gemarteld kon worden èn het aantal misdrijven waarvoor men ter dood kon worden veroordeeld sterk af. Martelen verdween uit de legale praktijk en vandaag de dag is het in bijna de hele wereld verboden.

Denk echter niet dat martelpraktijken iets van het verleden zijn. Ze kwamen vroeger misschien vaker voor dan vandaag en vandaag de dag zijn ze, zoals gezegd, in veel landen buiten de wet, maar nu zijn de methoden vaak subtieler en psychologisch van aard. Onlangs nog waren er beelden op TV van gemartelde demonstranten in Wit-Rusland. Maar ook in democratische landen of namens deze landen komt het voor. Denk maar aan de Verenigde Staten tijdens de oorlog in Irak en dichterbij huis in Guantanamo. Maar wat te denken van de Deventer moordzaak, waarbij de psychologische druk zo hoog was dat dit leidde tot valse verklaringen? Barbertje moet hangen, één van de redenen dat dergelijke praktijken nog steeds niet uit de wereld zijn, ook niet uit Nederland.

woensdag 9 december 2020

Hoe ik de reacties op de coronapandemie voorspelde in "Rondom Montaigne"

Pagina 109 uit Rondom Montaigne waarin ik de reacties
 op een ramp als de Covid-19-pandemie voorzag.

Het is een jaar geleden dat ik mijn boek Rondom Montaigne gepubliceerd heb, dus een goede aanleiding hier eens wat passages uit mijn boek neer te zetten (aangepast voor deze blog). 

- We hebben ze iedere dag: Ontmoetingen. Veel ontmoetingen zijn eenmalig maar een enkele keer hebben ze een gevolg en zijn ze het begin van een blijvend contact. We noemen ze daarom eerste ontmoetingen. Veel eerste ontmoetingen zijn routinematig en niet bijzonder. Sommige zijn echter speciaal. We keken ernaar uit of ze vonden plaats bij een bijzondere gelegenheid of ze verliepen dramatisch. Bij veel eerste ontmoetingen zoekt de een de ander op. Zeggen eerste ontmoetingen daarom niet veel over onszelf? 

- Eens sprak Montaigne in Bordeaux met een drietal Braziliaanse indianen. In hun taal is het gebruikelijk, naar Montaigne ons vertelt, om de mensen de helften van elkaar te noemen. Houden ze ons daarmee niet een spiegel voor? Want zo laten ze ons zien dat we nog veel van andere culturen kunnen leren, want hiermee vertellen deze indianen ons: Houd rekening met de ander, ook als die beneden je staat of afhankelijk van je is. Want de ander maakt deel van jou uit en is je wederhelft. 

- Montaigne had op de balken in de werkkamer van zijn kasteel een groot aantal spreuken aangebracht, meest in het Latijn. Eén van die spreuken luidt: “Niets in het leven is aangenamer dan aan niets te denken, want niet denken doet geen pijn.” Toch was Montaigne zelf een groot denker. Zijn denken was vaak buiten de orde, buiten de orde van toen en buiten de orde van vandaag. Hij bracht zijn opvattingen ook in de praktijk, want welke kasteelheer laat nu in een tijd van burgeroorlog de poort van zijn kasteel openstaan? Dat deed Montaigne, want als een rover ziet dat de eigenaar het niet de moeite waard vindt zijn bezit te verdedigen, dan is er kennelijk niets te halen en de rover gaat voorbij. Zo dacht Montaigne; en het werkte.

- “Alles heeft zijn tijd”, leert Montaigne ons. Voor hem zijn een bepaalde levensfase en wat je daarin wel of niet kunt doen aan elkaar gekoppeld. Je leert een nieuwe taal als je jong bent, maar als je oud bent, is dat dwaas, want wat heb je er dan nog aan? Alles heeft zijn seizoen en dat is de natuurlijke gang van zaken. Maar deze natuurlijke gang van zaken wordt vandaag de dag steeds meer doorbroken, want alles is maakbaar geworden. Neem nu appels: Vroeger lagen er in het ene seizoen heel andere appelrassen in de winkel dan in het andere seizoen. Er was een seizoensritme van opeenvolgende appelsoorten. Ieder jaar begon die cyclus opnieuw. Vandaag de dag is dit seizoensritme echter vrijwel verdwenen en nu vind je het hele jaar door dezelfde appels in de winkel, ongeacht het seizoen. Dat is gemakkelijk, want zo kun je het hele jaar díe appel kopen die je lekker vindt. Dit voorbeeld illustreert hoe we steeds minder afhankelijk van de natuur zijn geworden. Tenminste dat denken we, maar als er een echte ramp is zoals een kernramp of een aardbeving, weten we dan wel wat we moeten doen? Ja, er zijn instanties, hulpverleners en regelingen die de fysieke kant van de zaak aanpakken, maar zijn we er mentaal op voorbereid? Steeds minder zijn we in staat het onverwachte op te vangen en als er wat gebeurt, dan richten we onze frustratie maar tegen anderen.
Het voorgaande schreef ik profetisch een jaar geleden ongeveer zo in mijn boek. Inderdaad, profetisch want wat zien we nu: Er is een pandemie uitgebroken en velen raken mentaal in paniek, omdat ze niet meer weten hoe met zoiets om te gaan. De overheid en virologen krijgen de schuld van de gevolgen en worden in een kwaad daglicht gesteld of zelfs bedreigd. Of er wordt gedacht dat er een samenzwering is: Het virus zou met opzet worden verspreid, om wat voor reden dan ook. Maar de simpelste oorzaak van de ramp wordt door velen weggeredeneerd, omdat ze die mentaal niet meer kunnen begrijpen: De pandemie is een natuurverschijnsel en het virus is op natuurlijke wijze ontstaan. Daarom is het belangrijk dat seizoensritmes en andere afhankelijkheden van de natuur blijven bestaan, want ze leren ons mentaal bij de les te blijven: De les die dat we deel uitmaken van de natuur. “Alles heeft zijn tijd”, zoals Montaigne ons leerde. 

-.-.-.-.-.- 

Nieuwsgierig? Nog een kerstcadeau nodig? Hier links op deze pagina, onder de foto van de voorkant van mijn boek, vind je de bestelinformatie van mijn boek Rondom Montaigne. Of volg onderstaande link naar mijn website om het boek te bestellen. Op deze pagina van mijn website staat ook de volledige inhoudsopgave van mijn boek:
https://www.youtube.com/watch?v=6F2yETNvc7w

donderdag 29 oktober 2020

Het graf van Montaigne

De cenotaaf van Montaigne in 
Musée d'Aquitaine in Bordeaux

Montaigne overleed op 13 september 1592. Zijn lichaam werd op 1 mei van het volgende jaar bijgezet in de kapel van het klooster van de Feuillants in Bordeaux en zijn hart in het kerkje van Saint-Michel-de-Montaigne. Montaigne’s vrouw liet een rijkversierde cenotaaf maken, die in 1603 op het graf werd geplaatst. De kerk werd verbouwd en in 1614 werden grafkist en cenotaaf aldaar geplaatst in een kapel gewijd aan St. Bernard. Tijdens de Franse Revolutie werden veel grafmonumenten van edelen vernield, maar dat van Montaigne bleef gespaard. In 1802 werd het klooster een lyceum en grafkist en cenotaaf kwamen in de kapel van het lyceum. In 1871 breekt daar een brand uit, waarbij de cenotaaf licht beschadigd wordt. In 1880 worden de resten van Montaigne tijdelijk overgebracht naar de begraafplaats van de Chartreuse in Bordeaux. In 1886 gaan ze terug naar het nieuwe gebouw dat op de plaats van het lyceum is neergezet en dat aan de universiteit behoort en de faculteit der wetenschappen en letteren herbergt. De cenotaaf wordt in de hal geplaatst en de grafkist in het souterrain, bijna recht onder de cenotaaf. In 1987 wordt het Musée d’Aquitaine in het gebouw van de faculteit gevestigd. De cenotaaf krijgt in het museum een speciale plaats, maar aan het graf en de grafkist denkt kennelijk niemand. 

Toen ik een aantal jaren geleden in Bordeaux was, had ik natuurlijk graag het graf van Montaigne willen bezoeken. Het bovenstaande was echter het enige wat ik over dit graf wist. Ja, zijn cenotaaf was net gerestaureerd en was in volle glorie in een speciaal daarvoor ingerichte zaal van het museum te aanschouwen. Maar hoe zat het met het graf zelf? Ook op Internet was geen informatie te vinden. Waar was Montaigne gebleven?
Dit was ook wat de nieuwe directeur van het Musée d’Aquitaine, Laurent Védrine, wilde weten. Uiteraard was bovenstaande geschiedenis van het graf van Montaigne bekend, maar in feite was het graf in vergetelheid geraakt. Er waren trouwens ook twijfels of het wel werkelijk de resten van Montaigne waren die in 1886 in het souterrain van het museum waren bijgezet. Er was dus reden om een onderzoek in te stellen. Een eerste verkenning eind 2018 via openingen in de wand van de grafkelder onder in het museum met een minicamera bracht aan het licht dat zich daar een houten grafkist bevond met ernaast een schedel. Op de grafkist was een geelkoperen plaquette aangebracht met de inscriptie “Michel de Montaigne”. Alles wees er dus op dat daar inderdaad de stoffelijke resten van Montaigne lagen, maar zeker was het niet. Er werd een onderzoeksaanvraag ingediend, omdat er voor archeologisch onderzoek nu eenmaal officiële toestemming nodig is en toen deze was afgekomen kon het eigenlijke onderzoek beginnen. Op 18-19 september 2019 worden de grafkelder en vervolgens de grafkist geopend. De eikenhouten kist is goed bewaard gebleven. Naast de kist ligt een grote loden koker. De kist wordt naar buiten geschoven. Op de kist blijkt niet alleen een plaquette bevestigd maar ook staat er in grote bruine letters “Montaigne” op geschilderd. Ook staat er “24/12/80” op geschreven. Dit kan verwijzen naar de dag dat het lichaam van Montaigne in de kapel van het lyceum werd opgegraven en naar de begraafplaats van de Chartreuse werd gebracht, namelijk 24 december 1880. De stoffelijke resten van Montaigne werden toen in een nieuwe kist gelegd. Alles wijst er dus op dat het inderdaad om het graf van Montaigne gaat. De kist wordt geopend. Maar dan komt er een verrassing: In de houten kist blijkt zich een tweede, loden kist te bevinden. De loden kist is beschadigd en door spleten kunnen de onderzoekers met een camera zien dat er menselijke botten en een schedel liggen. Om besmettingen te voorkomen en om te voorkomen dat bij onvoorzichtige opening de inhoud van de grafkist wordt beschadigd, wordt het onderzoek stilgelegd. De loden koker wordt nog wel geopend. Er zit een glazen fles in gevuld met papier. Mogelijk zit er een kopie van de acte van de herbegraving in. Dit zal later uitgezocht worden. Begin 2020 zal men verdergaan met de opening van grafkist en koker. In die tussentijd wordt echter allerlei ander onderzoek gedaan, zoals naar de graftombe waarin de kist geplaatst was, naar het hout van de grafkist en naar de schedel en enkele tanden die buiten de kist zijn aangetroffen. Na opening van de loden grafkist zal er DNA van de stoffelijke resten worden genomen, dat dan met hedendaagse vrouwelijke afstammelingen van Montaigne vergeleken moet worden. Een deel van het hiervoor nodige genealogische onderzoek is overigens al verricht maar het lastige is dat de privacywetgeving het bemoeilijkt om nog levende afstammelingen van Montaigne op te sporen. Verder moet door archiefonderzoek worden nagegaan hoe het stoffelijk overschot van Montaigne op die plaats terecht is gekomen.
Dan komt de coronacrisis en de opening van de kist wordt voorlopig uitgesteld. Tussen 14 en 21 september 2020 kan dit eindelijk plaatsvinden. Zowel de loden kist als de loden koker worden geopend. In de kist bevinden zich een schedel, haar en botresten. Alles wat in de kist aanwezig is zal nu nauwkeurig worden onderzocht, inclusief de dode insecten die er liggen. In de loden koker zit een glazen fles, zoals apothekers die in de 19e eeuw gebruikten. In de fles zit een document. Er staat op geschreven dat Michel Montaigne (sic) op 11 maart 1886 daar in het gebouw van de faculteit in een crypte is bijgezet. Dit document zal verder op echtheid onderzocht worden.
Hiermee is het onderzoek naar het graf en de stoffelijke resten van Montaigne weer een stap verder. Tot nu toe wijst alles erop dat in het souterrain van het Musée d’Aquitaine het graf van Montaigne is gevonden. Binnen afzienbare tijd zullen we het weten. 

Bronnen
De meeste informatie over het onderzoek naar het graf van Montaigne is te vinden op diverse websites en webpagina’s van het Musée d’Aquitaine in Bordeaux en van de Université Bordeaux Montaigne. Hier staan ook enkele video’s die de fasen van het onderzoek samenvatten en toelichten:

Musée d’Aquitaine
- https://www.pourmontaigne.fr/
- http://www.musee-aquitaine-bordeaux.fr/fr/article/le-mystere-du-tombeau-de-montaigne
- https://www.pourmontaigne.fr/la-fouille-archeologique-etape-par-etape-4/
- http://www.musee-aquitaine-bordeaux.fr/fr/article/le-mystere-du-tombeau-de-montaigne

Université Bordeaux Montaigne
- https://www.u-bordeaux-montaigne.fr/fr/actualites/recherche/annee-2019-2020/tombeau-de-montaigne-a-la-recherche-de-notre-histoire.html 

Zie verder
- website Le Matin https://www.lematin.ch/story/le-tombeau-de-montaigne-exhume-le-mystere-demeure-765481436084
- website Le Point https://www.lepoint.fr/culture/bordeaux-le-tombeau-de-montaigne-revele-ses-premiers-mysteres-20-11-2019-2348642_3.php
- website Sciences et Avenir https://www.sciencesetavenir.fr/archeo-paleo/patrimoine/la-tombe-de-montaigne-commence-a-livrer-ses-secrets_139132

 

woensdag 23 september 2020

Wie was Simon Millanges, drukker van de Essays?

Het drukkersmerk van Simone Millanges 
(Bibliothèque municipale de Bordeaux)

In mijn laatste blog had ik een foto geplaatst van een huis in Bordeaux aan de Rue Saint James 28 en ik had eronder geschreven dat hier de drukkerij van Simon Millanges, de drukker van Montaigne’s Essays, gevestigd was. En inderdaad, zo had ik het op het Internet gevonden in een Montaigne-wandeling, die ik een paar jaar geleden ook zelf in Bordeaux gemaakt heb. En inderdaad bevindt zich in het plaveisel voor het pand een steen met de tekst dat hier Millanges’ drukkerij gevestigd was. En inderdaad, noemt de eigenaar het bedrijf dat er gevestigd is “Espace Mill Anges” (Duizend Engelen Ruimte), onder verwijzing naar de vroegere drukkerij. Wie schetst echter mijn verbazing dat ik op zoek naar meer informatie over Montaigne’s drukker op andere op het oog toch betrouwbare websites tegenkwam dat Simon Millanges zijn bedrijf niet op nummer 28 maar op nummer 16 in de Rue Saint James gevestigd had. Wie zal het zeggen? Hier in Nederland achter mijn computer kan ik dit probleem niet oplossen. Laat ik me dus concentreren op de vraag wie deze man nu eigenlijk was.Simon Millanges is oorspronkelijk niet uit Bordeaux afkomstig maar is in 1540 of 1541 geboren Mille-Millanges in de huidige commune (gemeente) Saint-Goussaud in het departement Creuse in Midden-Frankrijk. Hoe het hem in zijn jeugd verging, weten we niet, maar hij studeerde rechten en liet zich vervolgens als advocaat inschrijven bij het Parlement (gerecht) van Bordeaux, waar ook Montaigne een tijdlang (1557-1571) werkzaam was en wel als raadsheer, evenals Montaigne’s beroemde vriend Étienne de La Boétie. Mogelijk hebben ze elkaar daar gekend, maar daar heb ik geen informatie over. Onwaarschijnlijk is dat natuurlijk niet, omdat Millanges vanaf omstreeks 1562 regent was van het beroemde Collège de Guyenne, waar ook Montaigne eerder naar school gegaan was. Deze school was een bolwerk van de Renaissance met beroemde leraren als Buchanan, Sainte-Marthe, Élie Vinet (destijds rector van het Collège) en de Gouvéa. In 1576 trouwde Millanges met Gaillarde De Sault. Ze hadden vier kinderen.Toen Millanges zich in Bordeaux vestigde, was er geen goede drukkerij in de stad. Er was slechts een kleine drukker die niet aan de wensen van de humanisten in de stad kon voldoen. Hiertoe aangezet door Vinet en enkele vrienden kocht Millanges twee drukpersen en wat er verder voor een drukkerij nodig was en opende op 17 juni 1572 zijn bedrijf in de Rue Saint James. Enkele maanden later stopte hij met zijn werk als leraar aan het Collège de Guyenne. Hij zou de rest van zijn leven drukker en boekhandelaar blijven. Het eerste boek dat Millanges zou drukken was een werk van Élie Vinet. In 1573 wordt Millanges officiële stadsdrukker van Bordeaux. Hij moet dan wel beloven om geen verboden of “schandalig” werk te drukken en de rest van zijn leven in de stad te blijven wonen.Op de persen van Millanges zijn vele werken van destijds bekende humanisten gedrukt. Naast dat van Vinet, was dat werk van o.a. Pierre Charon, Florimond de Raemond, Blaise de Monluc en uiteraard in 1580de Essays van Michel de Montaigne. In een latere editie van de Essays klaagt Montaigne erover dat hij zijn eigen papier moest meebrengen, terwijl later bij publicatie van de Essays in Parijs de drukker-uitgever alle kosten voor zijn rekening nam. Maar ja, hoe vaak is het vandaag de dag bij nieuwe schrijvers niet anders en moeten ze hun publicaties zelf bekostigen? In ieder geval weerhield het Montaigne er niet van om ook de tweede editie van de Essays bij Millanges te laten drukken.In 1614 verkoopt Simon Millanges zijn drukkerij en boekhandel aan zijn zoon Jacques en zijn schoonzoon Claude Mongiron, maar neemt zijn bedrijf drie jaar later weer op. In juni 1623 overlijdt hij op de leeftijd van 82 jaar. Zijn erfgenamen nemen dan zijn boekwinkel over. 

Bron
- “Simon Millanges”, in Wikipédia, https://fr.wikipedia.org/wiki/Simon_Millanges.
- Dast Le Vacher de Boisville, Jean-Numa, Simon Millanges, imprimeur à Bordeaux, 1572-1623. Parijs: Hachette Livre, print on demand herdruk, 2020 (oorspronkelijk 1897).

- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.

vrijdag 7 augustus 2020

Hoe dom kun je zijn

 

In dit pand in de Rue Saint James in Bordeaux was de drukkerij 
van Simon Millanges gevestigd waar Montaigne de eerste editie
 van zijn Essays heeft laten uitgeven.

Ik lees veel filosofische boeken, maar de Essays van Montaigne is een van de weinige werken die ik verschillende malen heb gelezen. Geen wonder, want Montaigne was zijn tijd ver vooruit en veel van wat hij meer dan vier eeuwen geleden geschreven heeft was niet alleen relevant in zijn tijd maar is vandaag de dag nog steeds modern. Zoiets intrigeert. Bovendien heeft Montaigne een goede stijl van schrijven. Maar eigenlijk weet ik niet of dit wel de reden is dat ik de Essays lees en herlees. Het is iets onbestemds. Montaigne en zijn Essays intrigeren me gewoon, en niet alleen mij, denk ik.
Eén van de interessantste essays in Montaigne’s boek is de “Apologie voor Raymond Sebond”. Je treft het aan in Boek II en dit essay is zo lang dat het eigenlijk een boek op zichzelf is. Je vraagt je af, waarom Montaigne het niet afzonderlijk heeft uitgegeven. Waarschijnlijk had Montaigne deze Apologie niet geschreven, als zijn vader hem niet gevraagd had de Theologia Naturalis van de Catalaanse filosoof Raimundo de Sabunde (ong. 1385-1436; Raymond Sebond, in het Frans) te vertalen. Hij kon deze vertaling pas na de dood van zijn vader voltooien en publiceren. Door dit verzoek van zijn vader kwam Montaigne intensief in contact met het werk van Sabunde en dit stimuleerde hem zijn ideeën over wetenschap, kennis en theologie op te schrijven.
Ik zal hier geen samenvatting van de “Apologie” geven en deze becommentariëren en in een kader plaatsen. Het stuk staat echter vol met ideeën en het laat zien hoe Montaigne in een aantal opzichten een voorloper is van Descartes. In een andere blog op deze website (“Op de schouders van reuzen: Montaigne en Descartes”) heb ik er al op gewezen dat Descartes Montaigne regelmatig plagieerde of ideeën van hem overnam zonder Montaigne’s naam te noemen (wat vandaag de dag in de wetenschap als doodzonde geldt, was toen een normale praktijk). Maar in plaats van een bespreking van de “Apologie” pik ik er gewoon wat uit. Neem bijvoorbeeld dit citaat: “Wie met het nodige verstand de ezelachtigheden van de menselijke wijsheid verzamelde en bundelde, zou ons wonderlijke dingen kunnen vertellen.” (p. 639) Montaigne schreef deze zin op, nadat hij in het voorafgaande een reeks van stompzinnigheden had opgesomd, die de mensen in de loop der eeuwen begaan hadden. En is er sinds Montaigne ook maar iets in het menselijk gedrag veranderd? Kijk maar eens naar de stupiditeiten die mensen momenteel aanvoeren over het ontstaan van de huidige coronapandemie. Sommigen denken zelfs dat het virus met helikopters verspreid wordt. Of kijk maar naar andere zogenaamde “wetenschappelijke feiten” van het type dat Montaigne in zijn “Apologie” opsomt.
Ook op politiek gebied vinden er heel wat ezelachtigheden plaats van het soort dat Montaigne aanhaalt. Beroemd, of berucht, zo je wilt, is de wijze waarop de Berlijnse Muur destijds plotseling openging. Maar de muur op zich was natuurlijk al een stupiditeit. Hoe dom is het idee dat je een land met een muur kunt afsluiten. Van tevoren al had je de afloop kunnen voorspellen, als je een beetje visie gehad had: Òf het zou een totale mislukking blijken te zijn, òf het zou tot een Derde Wereldoorlog leiden. In beide gevallen was het een idioot idee om zo’n muur te bouwen en, gelukkig dan maar, bleek het uiteindelijk een mislukking. Maar hoe lang heeft het moeten duren voordat men daarachter kwam! En wat was de reactie van Margaret Thatcher, destijds Eerste Minister van het Verenigd Koninkrijk, een dag na de val van de muur? Ze belde Michael Gorbatsjov, de leider van de Sovjet-Unie en vroeg hem de eenwording van Duitsland tegen te houden. “Laat ze (de Oost-Duitsers) toch achter hun Muur blijven”, zei ze hem. Hoe dom. Of neem de reactie van de Franse president François Mitterand, die bang was dat een machtig Duitsland zou herrijzen.
Als je kijkt hoe het na de val van de Berlijnse Muur in Duitsland en Europa verdergegaan is, kun je om zulke stommiteiten alleen maar lachen en de spot drijven met de mensen die toen zulke vooraanstaande posities innamen maar kennelijk geen vooruitziende blik hadden. Destijds was het allemaal echter een serieuze aangelegenheid. Waren de opvattingen van Thatcher en Mitterand gevolgd, dan zouden we nu in een andere wereld geleefd hebben.
Om nog even verder te gaan met de grillen en grollen van de geschiedenis, wie zou na twee wereldoorlogen gedacht hebben dat de leiders van de twee aartsvijanden Duitsland en Frankrijk ooit hand in hand deze oorlogen zouden herdenken en dat deze landen verbonden zouden worden in een politiek-economische unie met ook nog een president aan het hoofd? Moeten we zoveel oorlogen voeren om dat te bereiken? Montaigne heeft gelijk, als hij zegt dat de menselijke geest in de loop der eeuwen veel dwaze gebeurtenissen voortgebracht heeft. Het is wel jammer dat we dat vaak alleen maar achteraf zo kunnen zien. Kennis van nu is toch wat anders dan kennis van toen.

Om verder iets van de geest van Montaigne in zijn “Apologie” te laten zien, sluit ik deze blog af met een aantal citaten, als een soort van losse flodders. Maar de “Apologie” gaat veel verder dan deze wijsheden, die maar al te gemakkelijk als tegeltjeswijsheden zijn op te vatten. Met de “Apologie” was Montaigne een wegbereider voor veel filosofen na hem, zoals Descartes.

- “Wanneer ik met mijn poes speel, wie weet dan of zij mij niet meer als amusement gebruikt dan ik haar?” (p. 525)

- “De geest van de keizer en die van een schoenlapper zijn uit het zelfde hout gesneden.” (p. 553)

- “De dingen waarvan men het minste weet, zijn het meest geschikt om vergoddelijkt te worden.” (p. 603)

- “Op geaccepteerde postulaten kan men zonder problemen iedere theorie bouwen die men wil.” (p. 632) 

---

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.

zaterdag 13 juni 2020

Wat las Montaigne ?


Exemplaar van de Essays uit 1611 in het 

Musée d'Aquitaine in Bordeaux

Montaigne hield van boeken. Hij had er dan ook heel wat. Ongeveer duizend boeken stonden er in de boekenkast in zijn bibliotheek. Dat lijken er misschien niet zo veel voor een boekenverzamelaar vandaag de dag, maar Montaigne leefde in een andere tijd. Destijds konden niet veel mensen het zich permitteren zo’n boekencollectie aan te schaffen. En je had er ook nog de nodige ruimte voor nodig, want boeken waren nog echte folianten. Montaigne had trouwens een deel van zijn boeken niet zelf aangeschaft maar geërfd van zijn overleden vriend Étienne de La Boétie. Deze had zijn boeken op zijn sterfbed aan Montaigne nagelaten. Helaas heeft Montaigne’s dochter al de boeken van haar vader na zijn dood verkocht of weggegeven.
Momenteel loopt er een project om Montaigne’s bibliotheek te reconstrueren. Deze (Franstalige) website laat zien hoe de bibliotheek eruit moet hebben gezien: https://montaigne.univ-tours.fr/restitution-3d/. Het zou echter interessant zijn, als we de boeken hadden gehad, die daar werkelijk gestaan hadden, want Montaigne had de gewoonte in zijn boeken aantekeningen te maken. Zo zouden ze ons kunnen helpen zijn intellectuele ontwikkeling te reconstrueren. Gelukkig zijn niet alle boeken uit Montaigne’s bibliotheek verloren gegaan. Ongeveer honderd exemplaren zijn later teruggevonden en in diverse bibliotheken in Frankrijk maar ook in Engeland staan boeken die in het bezit van Montaigne zijn geweest. In negentien van deze teruggevonden boeken staat rechtsboven op de titelpagina in het handschrift van Montaigne “b.” geschreven. Kennelijk heeft hij hiermee willen aangeven, dat ze uit de erfenis van La Boétie afkomstig waren. In een twintigste exemplaar staat “B.” geschreven in het handschrift van Montaigne en dit boek is waarschijnlijk ook uit de erfenis afkomstig. De teruggevonden boeken bevatten ook aantekeningen van Montaigne, zodat uit zijn boeken wel iets over zijn intellectuele ontwikkelingen is af te leiden.
We weten dat Montaigne zijn boekenkast aan La Boétie had gewijd. Dit bleek uit een opschrift op een bordje dat hij op de boekenkast had aangebracht. Tot aan 1820 moet het nog in de bibliotheek in de toren van Montaigne’s kasteel aanwezig zijn geweest en iemand heeft de tekst opgeschreven. Sindsdien is het bordje verloren gegaan en ook de boekenkast is er niet meer. We kunnen alleen nog de bevestigingspunten ervan in de muur zien.
Wat Montaigne gelezen heeft en bovenal wat hem interesseerde weten we vooral uit zijn Essays. Hij heeft zelfs een essay met de titel “Over boeken” geschreven (Boek II, 10). Hij schrijft erin waarom hij graag leest: “Ik zoek in boeken niets anders dan mij met een waardig tijdverdrijf te amuseren, en als ik studeer zoek ik alleen naar de wetenschap die mij iets vertelt over het kennen van mijzelf en die me leert op de juiste manier te sterven en te leven.” (p. 477). Over dit laatste, hoe te sterven en te leven, schreef Montaigne ook zelf in zijn Essays en misschien daarom wel wordt dit boek nog steeds zo veel gelezen. De Essays is een van de klassiekers die je moet lezen, als je wilt weten wat filosofen onder goed leven verstonden.
Montaigne gaf de voorkeur aan de klassieke literatuur boven boeken uit zijn eigen tijd. Hij vindt de klassieken “rijker en sterker” dan de modernen (p. 478). Hij leest boeken ook het liefst in de oorspronkelijke taal. Daarom leest hij vooral Latijnse werken, want zijn “schooljongenskennis”, zoals hij dat noemt (ibid.), van het Oudgrieks is onvoldoende om teksten in die taal goed te begrijpen. Trouwens, Montaigne had vaak geen keus dan de Latijnse auteurs in het Latijn te lezen, want veel van hun werk was nog niet in het Frans vertaald. Bedenk dat het de tijd van de Renaissance was, waarin veel van dat werk opnieuw ontdekt werd. Montaigne leest trouwens wel af en toe moderne schrijvers en hij vindt met name Boccaccio’s Decamerone (omstreeks 1350), het werk van Rabelais (1483-1553) en de Basia (Kusgedichten; uit 1541) van Janus Secundus de moeite waard. De laatste was overigens een Nederlandse humanist, die vandaag de dag nog maar weinig bekend is. Zijn eigenlijke naam was Jan Everaerts).
Van de klassieken noemt Montaigne in zijn essay “Over boeken” allereerst de poëzie van Vergilius, Lucretius, Catullus en Horatius. Van Vergilius noemt hij met name de Aeneis. Dit is een episch gedicht, dus niet iets wat we vandaag de dag poëzie zouden noemen. Naast deze auteurs las Montaigne ook graag het werk van de klassieke toneelschrijvers Plautus en Terentius. Montaigne kan het niet nalaten op te merken dat hij niet hield van het werk van de in zijn tijd populaire Italiaanse dichter en toneelschrijver Ludovico Ariosto (1474-1533). Ik denk dat veel mensen vandaag de dag Ariosto niet kennen, tenzij je operaliefhebber bent, want componisten als Vivaldi en Händel gebruikten zijn teksten voor diverse opera’s. Ariosto werd in Montaigne’s tijd vaak met Vergilius vergeleken, zoals Ariosto’s Orlando Furioso met de Aeneis. Ten onrechte, vindt Montaigne: “De [Aeneis] zien we in hoge, bestendige vlucht, met krachtige vleugelslagen consequent op zijn doel afgaan, terwijl de [Furioso] van verhaal naar verhaal fladdert, alsof hij van tak naar tak hipt, omdat hij alleen voor een heel korte vlucht op zijn vleugels vertrouwt en aan het eind van ieder veld neerstrijkt omdat hij bang is buiten adem te raken en geen kracht meer te hebben.” (p. 481) Plastischer kun je het haast niet zeggen. Overigens heeft Montaigne’s vriend Étienne de La Boétie delen van Ariosto’s werk in het Frans vertaald.
Montaigne hield het meest van de genoemde auteurs en hij vond ze amusant om te lezen. Ander werk dat hij graag las, “waarin iets meer het nuttige met het aangename wordt verenigd, en die mij leert mijn stemmingen te beheersen en mijn karakter te disciplineren,” zijn dat van Plutarchus “sinds die er in het Frans is” en Seneca “die deze functie voor mij hebben.” (ibid.) Plutarchus was een Griek, maar sinds La Boétie werk van hem vertaald had, kon Montaigne het lezen. Montaigne las ook de Brieven van Seneca, die ook nu nog populair zijn. En natuurlijk las hij Cicero. Hij vond vooral diens moraalfilosofie nuttig voor hemzelf, maar hij hield niet van zijn schrijfstijl
De laatste categorie boeken die Montaigne noemt zijn geschiedenisboeken. Ze zijn “aangenaam en gemakkelijk” (p. 485) en ze laten zien hoe de mens is. Dit geldt vooral voor biografieën, zijn favoriete lectuur. Hij noemt hier Diogenes Laërtius, die een biografie van Griekse filosofen heeft geschreven. Maar Montaigne raadt toch vooral het werk van Caesar aan, niet alleen vanwege de kennis van de historische feiten, “maar om hemzelf; zozeer overtreft hij in zijn volmaaktheid alle anderen” (p. 486) – tenminste, dat is wat Montaigne ervan vindt. Montaigne las ook werk van zijn tijdgenoot Jean Bodin (1530-1596), die niet zo zeer een historicus als wel een politiek filosoof was.
Montaigne las deze auteurs niet alleen voor zijn plezier en om zichzelf te verbeteren, maar in de Essays worden ze ook vaak aangehaald, vooral de klassieke auteurs. Dus al is de bibliotheek van Montaigne bijna helemaal verloren gegaan, we weten op deze manier toch wat hij gelezen heeft. Er wordt wel gezegd: “Zeg met wat je leest en ik zeg je wie je bent.” We kunnen dit ook op Montaigne toepassen, maar zouden we niet gewoon zijn Essays lezen om te weten wie hij was?

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.


vrijdag 22 mei 2020

Montaigne op reis

Veel lezers van de Essays van Montaigne zullen wel weten dat hij eens een lange reis naar Rome gemaakt heeft. Montaigne vertrok niet vanuit zijn kasteel maar vanuit Parijs, waar hij eerst een aantal zaken verricht had. Montaigne nam ook niet de kortste weg naar Rome, maar reisde via Zwitserland, Augsburg en München, vervolgens over de Brennerpas en dan geleidelijk aan naar Rome. Vanuit Rome maakte hij dan nog een rondreis door Midden-Italië, waarbij hij ook Florence bezocht. Hij vond deze stad kennelijk niet erg interessant, want hij vertelt er weinig over, hoewel er toen ook al veel te zien was. Montaigne verbleef tijdens zijn trip niet alleen langere tijd in Rome, maar ook tweemaal in Bagni di Lucca. Uiteindelijk keerde hij naar huis terug, toen hij het bericht ontving dat hij tot burgemeester van Bordeaux benoemd was. Montaigne maakte overigens geen haast om thuis te komen.
Van zijn reis, die plaats vond van september 1580 tot november 1581, heeft Montaigne een dagboek bijgehouden, dat niet voor publicatie bedoeld was en pas tweehonderd jaar later is teruggevonden en zeer de moeite waard is om te lezen. Montaigne reisde niet alleen maar was, in ieder geval tot aan Rome, in het gezelschap van een aantal bevriende heren en zijn jongste broer. Verder reisden er bedienden mee in het gezelschap.
Op mijn eigen reizen ben ik af en toe plaatsen gepasseerd waar Montaigne ook geweest is. Ik heb daar uitvoerig over verteld in het essay “Op reis met Montaigne” in mijn boek Rondom Montaigne (zie linksboven op deze blogpagina). In deze blog geef ik enkele foto’s van plekken die Montaigne op zijn reis heeft gezien en van het huis in Bagni di Lucca (ook wel La Villa genoemd) waar hij gewoond heeft.
-.-.-.-.-.-

Na vanuit Frankrijk door Noord-Zwitserland en Augsburg naar München in Zuid-Duitsland te zijn gereisd, wil Montaigne via de Brennerpas naar Italië. Hij komt dan aan in het Oostenrijkse Seefeld, ten noorden van deze pas gelegen en gebruikt er het middagmaal in een herberg. Montaigne maakt er ook een wandeling naar de St. Oswald kerk om er te horen waarom deze zo veel pelgrims trekt. Zoals hij ons vertelt: “De kerk is … befaamd vanwege het volgende wonder. In 1384 was een zeker iemand ... met Pasen niet tevreden met de gewone hostie; hij verlangde de grote, en toen hij die in zijn mond had, opende de aarde zich onder hem, en werd hij erdoor verzwolgen tot aan zijn hals; hij klampte zich vast aan de rand van het altaar; de priester nam die hostie uit zijn mond. Ze laten nog het gat zien, bedekt met een ijzeren rooster, het altaar met de afdruk van de vingers van die man, en de hostie die helemaal roodachtig is, als van bloeddruppels.”
Zoals de foto laat zien, is het gat er nog steeds en er ligt nog steeds een ijzeren rooster op.
-.-

Vanuit Seefeld trekt Montaigne met zijn gezelschap via Innsbruck over de Brennerpas en komt dan in Sterzing, of Vipiteno, zoals dit stadje in Zuid-Tirol in het Italiaans heet. Sterzing heeft nog veel van zijn oude karakter, want er zijn nog veel oude huizen uit de vijftiende en zestiende eeuw, zoals in de hoofdstraat op de foto boven. Ongetwijfeld is Montaigne door deze hoofdstraat gelopen en misschien heeft hij er zelfs ergens gegeten. In ieder geval schrijft hij: “Daar zette men ons aan tafel geheel ronde broden voor die aan elkaar vastzaten. In heel Duitsland wordt mosterd vloeibaar neergezet en die smaakt als witte Franse mosterd. De azijn is overal wit.”
-.-

 Via Venetië, Bologna en Florence, reist Montaigne dan naar Rome, waar hij lange tijd blijft. Hij komt ook langs Siena, waar hij overnacht. Montaigne bekijkt er de stad: “De mooiste plek in deze stad is het grote, goed geproportioneerde ronde plein, van alle kanten naar het paleis toegebogen, dat een van de zijden van deze cirkel vormt en minder gebogen is dan de rest.” Later, als hij nog eens in Siena komt zegt hij: “Het plein van Siena is het mooiste dat in welke stad ook te zien is.”
-.-

 Na vijf maanden in Rome te zijn geweest maakt Montaigne een rondreis door Midden-Italië en bezoekt er plaatsen als Pisa, Lucca en opnieuw Florence. In Bagni di Lucca huurt Montaigne een appartement. Hij heeft al heel lang last van nierstenen en hij gaat er twee maanden kuren. Later verblijft hij er nog eens enige tijd. Voordat Montaigne vanuit Lucca in de badplaats aankomt passeert hij de nu beroemde brug van Borgo, de Ponte della Maddelena: “We kwamen door verscheidene dorpen, waaronder … Borgo, en over een ongewoon hoge brug, die met een enkele boog een groot deel van de breedte van de rivier overspant.”
-.-




In Bagni di Lucca huur Montaigne kamers bij de herbergier Kapitein Paulini. Het grote huis staat er nog steeds en een plaquette op de voorgevel herinnert nu aan de aanwezigheid van Montaigne daar destijds. Achter het huis bevindt zich een tuin die eindigt in een steile bergwand met daarin een fontein. De herberg van Kapitein Paulini ligt buiten het centrum van Bagni aan een steile weg omhoog. Loop je er vanaf de herberg naartoe, dan heb je een mooi uitzicht over het stadje. De vier foto’s laten achtereenvolgens de herberg, de plaquette, de fontein in de tuin en het uitzicht zien.
“Kapitein Paulini … gaf me een eetkamer, drie slaapkamers, een keuken en ook nog een aanbouw voor onze bedienden, met acht bedden, waarvan twee met baldakijn. Voor elf écus, een paar sous meer dan tien pistoletta’s, leverde hij zout, elke dag een servet, om de drie dagen een tafelkleed, alle ijzeren keukengerei en kandelaars voor twee weken.”
-.-

Op weg naar huis vanuit Rome om burgemeester van Bordeaux te worden, komt Montaigne weer door Siena maar logeert dan in een herberg in San Quirico, een stadje even verderop. Hij gaat vandaaruit de nabijgelegen badplaats Vignone bezichtigen: “Het bad ligt op een heuveltje waar de rivier de Orcia aan de voet langs stroomt. Rondom deze plek staat ongeveer een dozijn niet erg geriefelijke, onaantrekkelijke huisjes. Het ziet er allemaal heel schamel uit. Een grote ommuurde vijver met trappen, waar je in het midden een aantal bronnen van dat hete water ziet koken. Omdat het niet naar zwavel ruikt en nauwelijks dampt en het bezinksel rood is, lijkt het eerder ijzer te bevatten dan iets anders. Men drinkt er niet van. Die vijver is zestig passen lang en vijfendertig breed. Rondom deze vijver zijn hier en daar afgescheiden en overdekte gedeelten waar men gewoonlijk baadt. Deze badplaats is werkelijk uitmuntend.”

---------------
De citaten zijn uit: Michel de Montaigne, Reis naar Italië. Een reis naar Italië via Zwitserland en Duitsland in 1580-1581. Amsterdam: Meulenhoff, 1992.

woensdag 6 mei 2020

Op de schouders van reuzen: Montaigne en Descartes


De grote natuurkundige Isaac Newton heeft eens in een brief aan zijn concurrent Robert Hook geschreven: “Wat Descartes heeft gedaan, was een mooi stap vooruit. Jij hebt ook op diverse manieren veel toegevoegd… Als ik verder heb gekeken dan anderen, dan was dit doordat ik op de schouders van reuzen stond.” Hiermee erkende Newton openlijk, dat hij zijn resultaten alleen heeft kunnen bereiken, door gebruik te maken van wat anderen voor hem hadden gedaan. Overigens was de uitdrukking “op de schouders van reuzen staan” niet door Newton zelf bedacht, maar hij wordt toegeschreven aan de twaalfde-eeuwse theoloog John van Salisbury. Ook wat deze mooie uitdrukking betreft, staat Newton dus op de schouders van een ander. Nu is me over Robert Hook verder niets bekend en over hem wil ik het hier dan ook niet hebben, maar Descartes? Ongetwijfeld was René Descartes een groot genie, maar ook hij stond op de schouders van anderen. Hij zou daarom werkelijk een groot genie geweest zijn, als hij die anderen, op wiens schouders hij was geklommen, wat meer erkenning zou hebben gegeven, de erkenning die ze verdienen. Omdat Montaigne in deze blogs centraal staat, denk ik daarbij natuurlijk in de eerste plaats aan wat Descartes hem verschuldigd was. Want Montaigne was niet alleen een van de eerste moderne filosofen, maar Descartes heeft zoveel aan diens Essays ontleend zonder zijn naam te noemen, dat we gerust van plagiaat kunnen spreken. Montaigne, aan de andere kant, was juist iemand die in zijn Essays de anderen met wie hij in discussie trad, de eer gaf die hun toekwam. Zijn werk is vol citaten en hij noemt altijd de auteurs die hem stimuleerden zijn gedachten te ontwikkelen. Voor een belangrijk deel, vooral in de Boeken I en II, zijn de Essays een debat van Montaigne met zijn voorgangers en we zien hoe Montaigne in dit debat groeit.
Montaigne had zelf ook invloed op denkers ná hem, vooral de eerste jaren na zijn dood, maar zijn invloed gaat door tot vandaag de dag. Christophe Bardyn schrijft in zijn prachtige Montaigne-biografie dat de Essays in de zeventiende eeuw veel gelezen werden. Het was zelfs zo dat je de belangstelling voor je eigen werk kon bevorderen door er verwijzingen naar Montaigne in op te nemen (een truc die vandaag de dag overigens nog steeds wordt toegepast: schrijf hoe je eigen boek of artikel verband houdt met andere belangrijke werken en de kans dat het wordt gelezen neemt toe). Twee van de belangrijkste Montaigne-lezers in die tijd waren Blaise Pascal en René Descartes. Hoewel Pascal de Essays gelezen heeft en er misschien ook wel door is beïnvloed, vond hij het eigenlijk maar raar om over jezelf te schrijven op de manier zoals Montaigne het deed en hij noemde het werk een “dwaas project”. In ieder geval komt Pascal er rechtstreeks voor uit dat hij de Essays gelezen heeft en wat hij ervan vindt. Maar Descartes? Hoewel de invloed van Montaigne op Descartes niet duidelijk opvalt en Descartes niet naar Montaigne verwijst, is die invloed er wel degelijk, aldus Bardyn. Hij noemt deze invloed zelfs “beslissend”. Deze is echter indirect. Eigenlijk is Descartes’ hele Vertoog over de methode een toepassing van Montaigne’s idee dat twijfel de basis is van kennis. Descartes noemt Montaigne’s naam echter nergens in zijn Vertoog. Doordat Descartes wel passages en ideeën uit de Essays gebruikt, maar nergens Montaigne’s naam noemt, zouden we hem vandaag de dag allicht van plagiaat beschuldigen. Meer nog, dit plagiaat begint al in de eerste regel van het Vertoog, waar Descartes schrijft: “Het gezond verstand is van alle dingen op de wereld het gelijkmatigst verdeeld. Want iedereen vindt dat hij er zo goed van voorzien is dat zelfs degenen die in iedere andere kwestie het moeilijkst tevreden te stellen zijn er nooit meer van willen dan ze er al van hebben.” Dit lijkt een originele, zo niet briljante, zin om een boek te beginnen. Montaigne had echter vóór Descartes al geschreven: “Men zegt gewoonlijk dat de natuur geen van haar gaven zo rechtvaardig onder ons verdeeld heeft als het verstand: want er is niemand die niet tevreden is met wat hem daarvan is toebedeeld.” (Essays, Boek II, 17; p. 774)
Het lijkt erop dat Descartes van Montaigne’s populariteit heeft willen profiteren zonder zijn naam te noemen. Of wilde hij origineler lijken dan hij in feite was? De introductiezin van het Vertoog over de methode is overigens niet de enige keer dat Descartes Montaigne plagieert, maar ik laat het bij dit voorbeeld. Hoe dan ook, als Descartes gewoon zijn bronnen had genoemd, dan zou dit geen greintje hebben afgedaan aan zijn echte verdiensten.
We staan allemaal op de schouders van anderen. Onze huidige prestaties waren niet mogelijk geweest, als anderen vóór ons daarvoor niet de basis hadden gelegd. Newton noemde die voorgangers “reuzen”. Hiermee erkende hij dat zijn voorgangers groter waren dan hijzelf. En is het niet zo dat een begin maken vaak moeilijker is dan een ingeslagen weg te vervolgen? Descartes was een reus, omdat hij nieuwe wegen in de filosofie heeft gebaand. Als hij de nodige eer had bewezen aan zijn reusachtige voorgangers, dan zou hij nog groter zijn geweest.

Literatuur
- Bardyn, Christophe, Montaigne. La splendeur de la liberté. Parijs: Flammarion, 2015; pp. 467-8 (de belangrijkste bron voor deze blog).
- Descartes, René de, Discours de la méthode. Parijs: Union Générale d’Éditions, 1951.
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.
- Phillips, John, “Montaigne and Descartes”. https://courses.nus.edu.sg/course/elljwp/mondes.htm
- Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/wiki/Verhandeling_over_de_methode (voor het citaat van de eerste zin van Descartes’ Vertoog over de methode).

woensdag 8 april 2020

Montaigne en de pest


In de tijd van Montaigne waren epidemieën bepaald geen uitzondering. Uiteraard wist Montaigne niets van het nieuwe coronavirus, dat momenteel de wereld teistert. Zonder meer wist nog niemand van het bestaan van virussen of van bacteriën. Die moesten nog ontdekt worden. In Montaigne’s tijd was vooral de pest een ziekte die vaak epidemische vorm aannam en levens vernietigde en de samenleving totaal verstoorde.
Sommige van zijn biografen en historici denken dat Étienne de La Boétie, de beroemde vriend van Montaigne, aan de pest is gestorven. Anderen houden het op dysenterie en dit lijkt ook mij het waarschijnlijkst. Er zijn echter tenminste twee gevallen dat Montaigne direct met de pest te maken had. In de tijd dat Montaigne leefde werd Frankrijk geteisterd door de ene godsdienstoorlog na de andere. Negen godsdienstoorlogen speelden zich tijdens zijn leven in Frankrijk af. Ze werden vooral uitgevochten in de streek waar Montaigne woonde en wat meer naar het zuiden, want vooral die regio was een bolwerk van het protestantisme. Ook enkele broers en zusters van Montaigne waren protestant geworden, hoewel hij met hen op goede voet bleef. Door deze oorlogen werd het sociale leven voortdurend verstoord, waardoor de pest endemisch was geworden met af en toe een grote uitbraak. Een dergelijke uitbraak van de pest vond plaats in juni 1585, toen Montaigne burgemeester van Bordeaux was. 14.000 burgers van de stad, ongeveer de helft van het aantal inwoners, zouden daarbij omkomen. Het waren echter de laatste dagen van zijn burgemeesterschap. In juli zou Montaigne zijn ambt neerleggen. Toevallig was hij niet in Bordeaux toen de pest er uitbrak. Hij was op dienstreis in de omgeving geweest en na afloop rechtstreeks naar zijn kasteel gegaan. Het enige wat hij nog als burgemeester te doen had was een vergadering leiden waarbij de nieuwe burgemeester werd benoemd en geïnstalleerd. Zijn opvolger was echter al aangewezen. Zou hij het risico nemen om ziek te worden en te komen overlijden voor een formaliteit? Montaigne besloot niet te gaan en schreef een brief naar de gemeenteraad dat hij zijn ambt ergens net buiten Bordeaux wilde overdragen. Zo gebeurde het ook. Sommigen, zowel tijdgenoten als latere biografen, beschuldigen Montaigne van lafheid. In andere situaties had Montaigne echter persoonlijke moed bewezen en hij was confrontaties nooit uit de weg gegaan. Waarom zou hij risico nemen voor een ambt dat hij nog maar enkele dagen zou bekleden? Zoals Montaigne ergens in zijn Essays zegt: “De burgemeester en Montaigne zijn er altijd twee geweest, duidelijk van elkaar gescheiden.” (Essays III-10, p. 1195)
Maar de echte ellende moest nog komen. De pest ging niet weg en bereikte een jaar later ook zijn kasteel. Het was september 1586. Montaigne treedt niet in details maar in het essay “Over fysiognomie” (Essays III-12, p. 1238) schrijft hij “Zowel in als buiten mijn huis werd ik bezocht door een pestepidemie van ongekende hevigheid”. Kennelijk waren er al een of verscheidene van zijn bedienden of knechten aan de ziekte overleden. Daarom besluit Montaigne te vluchten. Opnieuw geeft Montaigne ons geen details, maar volgens zijn biograaf Bardyn moeten we het ons voorstellen dat hij rondtrok met een aantal karren en wagens en paarden samen met zijn vrouw, zijn vijftienjarige dochter zijn zeventigjarige moeder plus een aantal bedienden. Waar ging hij heen? We weten het niet en Montaigne wist het zelf ook niet, want nergens was hij welkom. Iedereen was bang door deze rondtrekkende caravaan met de pest besmet te worden. “Ik, die zelf zo gastvrij ben, had de grootste moeite een toevluchtsoord te vinden voor mijn familie”, klaagt hij (t.a.p.). En zo gauw een arts dacht, dat er iemand van het gezelschap besmet zou kunnen zijn, moest iedereen veertig dagen in quarantaine.
Montaigne’s geld raakte op. Hij kon geen nieuwe kleren en nieuwe paarden meer kopen. Maar hij bleek niet vergeten. Catherina de Medici hoorde van Montaigne’s ellende en zond hem geld. Niet een fooi maar een substantieel bedrag. Natuurlijk deed ze dit niet alleen uit medelijden, want andermaal had ze hem nodig om te bemiddelen tussen haar zoon Hendrik III, de koning van Frankrijk, en diens rivaal Hendrik van Navarra, de leider van de Hugenoten en de latere Hendrik IV van Frankrijk. Zo raakte Montaigne ook tijdens zijn zwerftocht betrokken bij politieke zaken.
Uiteindelijk, een half jaar later, keerde Montaigne met de zijnen terug op zijn kasteel. Het was inmiddels maart 1587. De pestepidemie was voorbij en de streek was door de Hugenoten gepacificeerd, zodat Montaigne ook niet bang hoefde te zijn voor menselijke vijanden. Want ook al was Montaigne rooms-katholiek, als kamerheer van de protestantse Hendrik van Navarra stond hij onder diens bescherming. Zijn kasteel was echter in slechte staat en zijn landerijen waren verwaarloosd. De druiven hingen nog ongeplukt aan de wijnstokken. Niet veel mensen in de streek hadden de pest overleefd, maar Montaigne en zijn caravaan waren de ellende te boven gekomen. Een jaar na zijn terugkeer publiceerde hij een nieuwe editie van zijn Essays, die waren uitgebreid met een derde deel.

Literatuur
- Bardyn, Christophe, Montaigne. La splendeur de la liberté. Paris: Flammarion, 2015; pp. 381-2, 398-403.
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.