vrijdag 7 augustus 2020

Hoe dom kun je zijn

 

In dit pand in de Rue Saint James in Bordeaux was de drukkerij 
van Simon Millanges gevestigd waar Montaigne de eerste editie
 van zijn Essays heeft laten uitgeven.

Ik lees veel filosofische boeken, maar de Essays van Montaigne is een van de weinige werken die ik verschillende malen heb gelezen. Geen wonder, want Montaigne was zijn tijd ver vooruit en veel van wat hij meer dan vier eeuwen geleden geschreven heeft was niet alleen relevant in zijn tijd maar is vandaag de dag nog steeds modern. Zoiets intrigeert. Bovendien heeft Montaigne een goede stijl van schrijven. Maar eigenlijk weet ik niet of dit wel de reden is dat ik de Essays lees en herlees. Het is iets onbestemds. Montaigne en zijn Essays intrigeren me gewoon, en niet alleen mij, denk ik.
Eén van de interessantste essays in Montaigne’s boek is de “Apologie voor Raymond Sebond”. Je treft het aan in Boek II en dit essay is zo lang dat het eigenlijk een boek op zichzelf is. Je vraagt je af, waarom Montaigne het niet afzonderlijk heeft uitgegeven. Waarschijnlijk had Montaigne deze Apologie niet geschreven, als zijn vader hem niet gevraagd had de Theologia Naturalis van de Catalaanse filosoof Raimundo de Sabunde (ong. 1385-1436; Raymond Sebond, in het Frans) te vertalen. Hij kon deze vertaling pas na de dood van zijn vader voltooien en publiceren. Door dit verzoek van zijn vader kwam Montaigne intensief in contact met het werk van Sabunde en dit stimuleerde hem zijn ideeën over wetenschap, kennis en theologie op te schrijven.
Ik zal hier geen samenvatting van de “Apologie” geven en deze becommentariëren en in een kader plaatsen. Het stuk staat echter vol met ideeën en het laat zien hoe Montaigne in een aantal opzichten een voorloper is van Descartes. In een andere blog op deze website (“Op de schouders van reuzen: Montaigne en Descartes”) heb ik er al op gewezen dat Descartes Montaigne regelmatig plagieerde of ideeën van hem overnam zonder Montaigne’s naam te noemen (wat vandaag de dag in de wetenschap als doodzonde geldt, was toen een normale praktijk). Maar in plaats van een bespreking van de “Apologie” pik ik er gewoon wat uit. Neem bijvoorbeeld dit citaat: “Wie met het nodige verstand de ezelachtigheden van de menselijke wijsheid verzamelde en bundelde, zou ons wonderlijke dingen kunnen vertellen.” (p. 639) Montaigne schreef deze zin op, nadat hij in het voorafgaande een reeks van stompzinnigheden had opgesomd, die de mensen in de loop der eeuwen begaan hadden. En is er sinds Montaigne ook maar iets in het menselijk gedrag veranderd? Kijk maar eens naar de stupiditeiten die mensen momenteel aanvoeren over het ontstaan van de huidige coronapandemie. Sommigen denken zelfs dat het virus met helikopters verspreid wordt. Of kijk maar naar andere zogenaamde “wetenschappelijke feiten” van het type dat Montaigne in zijn “Apologie” opsomt.
Ook op politiek gebied vinden er heel wat ezelachtigheden plaats van het soort dat Montaigne aanhaalt. Beroemd, of berucht, zo je wilt, is de wijze waarop de Berlijnse Muur destijds plotseling openging. Maar de muur op zich was natuurlijk al een stupiditeit. Hoe dom is het idee dat je een land met een muur kunt afsluiten. Van tevoren al had je de afloop kunnen voorspellen, als je een beetje visie gehad had: Òf het zou een totale mislukking blijken te zijn, òf het zou tot een Derde Wereldoorlog leiden. In beide gevallen was het een idioot idee om zo’n muur te bouwen en, gelukkig dan maar, bleek het uiteindelijk een mislukking. Maar hoe lang heeft het moeten duren voordat men daarachter kwam! En wat was de reactie van Margaret Thatcher, destijds Eerste Minister van het Verenigd Koninkrijk, een dag na de val van de muur? Ze belde Michael Gorbatsjov, de leider van de Sovjet-Unie en vroeg hem de eenwording van Duitsland tegen te houden. “Laat ze (de Oost-Duitsers) toch achter hun Muur blijven”, zei ze hem. Hoe dom. Of neem de reactie van de Franse president François Mitterand, die bang was dat een machtig Duitsland zou herrijzen.
Als je kijkt hoe het na de val van de Berlijnse Muur in Duitsland en Europa verdergegaan is, kun je om zulke stommiteiten alleen maar lachen en de spot drijven met de mensen die toen zulke vooraanstaande posities innamen maar kennelijk geen vooruitziende blik hadden. Destijds was het allemaal echter een serieuze aangelegenheid. Waren de opvattingen van Thatcher en Mitterand gevolgd, dan zouden we nu in een andere wereld geleefd hebben.
Om nog even verder te gaan met de grillen en grollen van de geschiedenis, wie zou na twee wereldoorlogen gedacht hebben dat de leiders van de twee aartsvijanden Duitsland en Frankrijk ooit hand in hand deze oorlogen zouden herdenken en dat deze landen verbonden zouden worden in een politiek-economische unie met ook nog een president aan het hoofd? Moeten we zoveel oorlogen voeren om dat te bereiken? Montaigne heeft gelijk, als hij zegt dat de menselijke geest in de loop der eeuwen veel dwaze gebeurtenissen voortgebracht heeft. Het is wel jammer dat we dat vaak alleen maar achteraf zo kunnen zien. Kennis van nu is toch wat anders dan kennis van toen.

Om verder iets van de geest van Montaigne in zijn “Apologie” te laten zien, sluit ik deze blog af met een aantal citaten, als een soort van losse flodders. Maar de “Apologie” gaat veel verder dan deze wijsheden, die maar al te gemakkelijk als tegeltjeswijsheden zijn op te vatten. Met de “Apologie” was Montaigne een wegbereider voor veel filosofen na hem, zoals Descartes.

- “Wanneer ik met mijn poes speel, wie weet dan of zij mij niet meer als amusement gebruikt dan ik haar?” (p. 525)

- “De geest van de keizer en die van een schoenlapper zijn uit het zelfde hout gesneden.” (p. 553)

- “De dingen waarvan men het minste weet, zijn het meest geschikt om vergoddelijkt te worden.” (p. 603)

- “Op geaccepteerde postulaten kan men zonder problemen iedere theorie bouwen die men wil.” (p. 632) 

---

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.

zaterdag 13 juni 2020

Wat las Montaigne ?


Exemplaar van de Essays uit 1611 in het 

Musée d'Aquitaine in Bordeaux

Montaigne hield van boeken. Hij had er dan ook heel wat. Ongeveer duizend boeken stonden er in de boekenkast in zijn bibliotheek. Dat lijken er misschien niet zo veel voor een boekenverzamelaar vandaag de dag, maar Montaigne leefde in een andere tijd. Destijds konden niet veel mensen het zich permitteren zo’n boekencollectie aan te schaffen. En je had er ook nog de nodige ruimte voor nodig, want boeken waren nog echte folianten. Montaigne had trouwens een deel van zijn boeken niet zelf aangeschaft maar geërfd van zijn overleden vriend Étienne de La Boétie. Deze had zijn boeken op zijn sterfbed aan Montaigne nagelaten. Helaas heeft Montaigne’s dochter al de boeken van haar vader na zijn dood verkocht of weggegeven.
Momenteel loopt er een project om Montaigne’s bibliotheek te reconstrueren. Deze (Franstalige) website laat zien hoe de bibliotheek eruit moet hebben gezien: https://montaigne.univ-tours.fr/restitution-3d/. Het zou echter interessant zijn, als we de boeken hadden gehad, die daar werkelijk gestaan hadden, want Montaigne had de gewoonte in zijn boeken aantekeningen te maken. Zo zouden ze ons kunnen helpen zijn intellectuele ontwikkeling te reconstrueren. Gelukkig zijn niet alle boeken uit Montaigne’s bibliotheek verloren gegaan. Ongeveer honderd exemplaren zijn later teruggevonden en in diverse bibliotheken in Frankrijk maar ook in Engeland staan boeken die in het bezit van Montaigne zijn geweest. In negentien van deze teruggevonden boeken staat rechtsboven op de titelpagina in het handschrift van Montaigne “b.” geschreven. Kennelijk heeft hij hiermee willen aangeven, dat ze uit de erfenis van La Boétie afkomstig waren. In een twintigste exemplaar staat “B.” geschreven in het handschrift van Montaigne en dit boek is waarschijnlijk ook uit de erfenis afkomstig. De teruggevonden boeken bevatten ook aantekeningen van Montaigne, zodat uit zijn boeken wel iets over zijn intellectuele ontwikkelingen is af te leiden.
We weten dat Montaigne zijn boekenkast aan La Boétie had gewijd. Dit bleek uit een opschrift op een bordje dat hij op de boekenkast had aangebracht. Tot aan 1820 moet het nog in de bibliotheek in de toren van Montaigne’s kasteel aanwezig zijn geweest en iemand heeft de tekst opgeschreven. Sindsdien is het bordje verloren gegaan en ook de boekenkast is er niet meer. We kunnen alleen nog de bevestigingspunten ervan in de muur zien.
Wat Montaigne gelezen heeft en bovenal wat hem interesseerde weten we vooral uit zijn Essays. Hij heeft zelfs een essay met de titel “Over boeken” geschreven (Boek II, 10). Hij schrijft erin waarom hij graag leest: “Ik zoek in boeken niets anders dan mij met een waardig tijdverdrijf te amuseren, en als ik studeer zoek ik alleen naar de wetenschap die mij iets vertelt over het kennen van mijzelf en die me leert op de juiste manier te sterven en te leven.” (p. 477). Over dit laatste, hoe te sterven en te leven, schreef Montaigne ook zelf in zijn Essays en misschien daarom wel wordt dit boek nog steeds zo veel gelezen. De Essays is een van de klassiekers die je moet lezen, als je wilt weten wat filosofen onder goed leven verstonden.
Montaigne gaf de voorkeur aan de klassieke literatuur boven boeken uit zijn eigen tijd. Hij vindt de klassieken “rijker en sterker” dan de modernen (p. 478). Hij leest boeken ook het liefst in de oorspronkelijke taal. Daarom leest hij vooral Latijnse werken, want zijn “schooljongenskennis”, zoals hij dat noemt (ibid.), van het Oudgrieks is onvoldoende om teksten in die taal goed te begrijpen. Trouwens, Montaigne had vaak geen keus dan de Latijnse auteurs in het Latijn te lezen, want veel van hun werk was nog niet in het Frans vertaald. Bedenk dat het de tijd van de Renaissance was, waarin veel van dat werk opnieuw ontdekt werd. Montaigne leest trouwens wel af en toe moderne schrijvers en hij vindt met name Boccaccio’s Decamerone (omstreeks 1350), het werk van Rabelais (1483-1553) en de Basia (Kusgedichten; uit 1541) van Janus Secundus de moeite waard. De laatste was overigens een Nederlandse humanist, die vandaag de dag nog maar weinig bekend is. Zijn eigenlijke naam was Jan Everaerts).
Van de klassieken noemt Montaigne in zijn essay “Over boeken” allereerst de poëzie van Vergilius, Lucretius, Catullus en Horatius. Van Vergilius noemt hij met name de Aeneis. Dit is een episch gedicht, dus niet iets wat we vandaag de dag poëzie zouden noemen. Naast deze auteurs las Montaigne ook graag het werk van de klassieke toneelschrijvers Plautus en Terentius. Montaigne kan het niet nalaten op te merken dat hij niet hield van het werk van de in zijn tijd populaire Italiaanse dichter en toneelschrijver Ludovico Ariosto (1474-1533). Ik denk dat veel mensen vandaag de dag Ariosto niet kennen, tenzij je operaliefhebber bent, want componisten als Vivaldi en Händel gebruikten zijn teksten voor diverse opera’s. Ariosto werd in Montaigne’s tijd vaak met Vergilius vergeleken, zoals Ariosto’s Orlando Furioso met de Aeneis. Ten onrechte, vindt Montaigne: “De [Aeneis] zien we in hoge, bestendige vlucht, met krachtige vleugelslagen consequent op zijn doel afgaan, terwijl de [Furioso] van verhaal naar verhaal fladdert, alsof hij van tak naar tak hipt, omdat hij alleen voor een heel korte vlucht op zijn vleugels vertrouwt en aan het eind van ieder veld neerstrijkt omdat hij bang is buiten adem te raken en geen kracht meer te hebben.” (p. 481) Plastischer kun je het haast niet zeggen. Overigens heeft Montaigne’s vriend Étienne de La Boétie delen van Ariosto’s werk in het Frans vertaald.
Montaigne hield het meest van de genoemde auteurs en hij vond ze amusant om te lezen. Ander werk dat hij graag las, “waarin iets meer het nuttige met het aangename wordt verenigd, en die mij leert mijn stemmingen te beheersen en mijn karakter te disciplineren,” zijn dat van Plutarchus “sinds die er in het Frans is” en Seneca “die deze functie voor mij hebben.” (ibid.) Plutarchus was een Griek, maar sinds La Boétie werk van hem vertaald had, kon Montaigne het lezen. Montaigne las ook de Brieven van Seneca, die ook nu nog populair zijn. En natuurlijk las hij Cicero. Hij vond vooral diens moraalfilosofie nuttig voor hemzelf, maar hij hield niet van zijn schrijfstijl
De laatste categorie boeken die Montaigne noemt zijn geschiedenisboeken. Ze zijn “aangenaam en gemakkelijk” (p. 485) en ze laten zien hoe de mens is. Dit geldt vooral voor biografieën, zijn favoriete lectuur. Hij noemt hier Diogenes Laërtius, die een biografie van Griekse filosofen heeft geschreven. Maar Montaigne raadt toch vooral het werk van Caesar aan, niet alleen vanwege de kennis van de historische feiten, “maar om hemzelf; zozeer overtreft hij in zijn volmaaktheid alle anderen” (p. 486) – tenminste, dat is wat Montaigne ervan vindt. Montaigne las ook werk van zijn tijdgenoot Jean Bodin (1530-1596), die niet zo zeer een historicus als wel een politiek filosoof was.
Montaigne las deze auteurs niet alleen voor zijn plezier en om zichzelf te verbeteren, maar in de Essays worden ze ook vaak aangehaald, vooral de klassieke auteurs. Dus al is de bibliotheek van Montaigne bijna helemaal verloren gegaan, we weten op deze manier toch wat hij gelezen heeft. Er wordt wel gezegd: “Zeg met wat je leest en ik zeg je wie je bent.” We kunnen dit ook op Montaigne toepassen, maar zouden we niet gewoon zijn Essays lezen om te weten wie hij was?

De citaten zijn uit Michel de Montaigne, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.


vrijdag 22 mei 2020

Montaigne op reis

Veel lezers van de Essays van Montaigne zullen wel weten dat hij eens een lange reis naar Rome gemaakt heeft. Montaigne vertrok niet vanuit zijn kasteel maar vanuit Parijs, waar hij eerst een aantal zaken verricht had. Montaigne nam ook niet de kortste weg naar Rome, maar reisde via Zwitserland, Augsburg en München, vervolgens over de Brennerpas en dan geleidelijk aan naar Rome. Vanuit Rome maakte hij dan nog een rondreis door Midden-Italië, waarbij hij ook Florence bezocht. Hij vond deze stad kennelijk niet erg interessant, want hij vertelt er weinig over, hoewel er toen ook al veel te zien was. Montaigne verbleef tijdens zijn trip niet alleen langere tijd in Rome, maar ook tweemaal in Bagni di Lucca. Uiteindelijk keerde hij naar huis terug, toen hij het bericht ontving dat hij tot burgemeester van Bordeaux benoemd was. Montaigne maakte overigens geen haast om thuis te komen.
Van zijn reis, die plaats vond van september 1580 tot november 1581, heeft Montaigne een dagboek bijgehouden, dat niet voor publicatie bedoeld was en pas tweehonderd jaar later is teruggevonden en zeer de moeite waard is om te lezen. Montaigne reisde niet alleen maar was, in ieder geval tot aan Rome, in het gezelschap van een aantal bevriende heren en zijn jongste broer. Verder reisden er bedienden mee in het gezelschap.
Op mijn eigen reizen ben ik af en toe plaatsen gepasseerd waar Montaigne ook geweest is. Ik heb daar uitvoerig over verteld in het essay “Op reis met Montaigne” in mijn boek Rondom Montaigne (zie linksboven op deze blogpagina). In deze blog geef ik enkele foto’s van plekken die Montaigne op zijn reis heeft gezien en van het huis in Bagni di Lucca (ook wel La Villa genoemd) waar hij gewoond heeft.
-.-.-.-.-.-

Na vanuit Frankrijk door Noord-Zwitserland en Augsburg naar München in Zuid-Duitsland te zijn gereisd, wil Montaigne via de Brennerpas naar Italië. Hij komt dan aan in het Oostenrijkse Seefeld, ten noorden van deze pas gelegen en gebruikt er het middagmaal in een herberg. Montaigne maakt er ook een wandeling naar de St. Oswald kerk om er te horen waarom deze zo veel pelgrims trekt. Zoals hij ons vertelt: “De kerk is … befaamd vanwege het volgende wonder. In 1384 was een zeker iemand ... met Pasen niet tevreden met de gewone hostie; hij verlangde de grote, en toen hij die in zijn mond had, opende de aarde zich onder hem, en werd hij erdoor verzwolgen tot aan zijn hals; hij klampte zich vast aan de rand van het altaar; de priester nam die hostie uit zijn mond. Ze laten nog het gat zien, bedekt met een ijzeren rooster, het altaar met de afdruk van de vingers van die man, en de hostie die helemaal roodachtig is, als van bloeddruppels.”
Zoals de foto laat zien, is het gat er nog steeds en er ligt nog steeds een ijzeren rooster op.
-.-

Vanuit Seefeld trekt Montaigne met zijn gezelschap via Innsbruck over de Brennerpas en komt dan in Sterzing, of Vipiteno, zoals dit stadje in Zuid-Tirol in het Italiaans heet. Sterzing heeft nog veel van zijn oude karakter, want er zijn nog veel oude huizen uit de vijftiende en zestiende eeuw, zoals in de hoofdstraat op de foto boven. Ongetwijfeld is Montaigne door deze hoofdstraat gelopen en misschien heeft hij er zelfs ergens gegeten. In ieder geval schrijft hij: “Daar zette men ons aan tafel geheel ronde broden voor die aan elkaar vastzaten. In heel Duitsland wordt mosterd vloeibaar neergezet en die smaakt als witte Franse mosterd. De azijn is overal wit.”
-.-

 Via Venetië, Bologna en Florence, reist Montaigne dan naar Rome, waar hij lange tijd blijft. Hij komt ook langs Siena, waar hij overnacht. Montaigne bekijkt er de stad: “De mooiste plek in deze stad is het grote, goed geproportioneerde ronde plein, van alle kanten naar het paleis toegebogen, dat een van de zijden van deze cirkel vormt en minder gebogen is dan de rest.” Later, als hij nog eens in Siena komt zegt hij: “Het plein van Siena is het mooiste dat in welke stad ook te zien is.”
-.-

 Na vijf maanden in Rome te zijn geweest maakt Montaigne een rondreis door Midden-Italië en bezoekt er plaatsen als Pisa, Lucca en opnieuw Florence. In Bagni di Lucca huurt Montaigne een appartement. Hij heeft al heel lang last van nierstenen en hij gaat er twee maanden kuren. Later verblijft hij er nog eens enige tijd. Voordat Montaigne vanuit Lucca in de badplaats aankomt passeert hij de nu beroemde brug van Borgo, de Ponte della Maddelena: “We kwamen door verscheidene dorpen, waaronder … Borgo, en over een ongewoon hoge brug, die met een enkele boog een groot deel van de breedte van de rivier overspant.”
-.-




In Bagni di Lucca huur Montaigne kamers bij de herbergier Kapitein Paulini. Het grote huis staat er nog steeds en een plaquette op de voorgevel herinnert nu aan de aanwezigheid van Montaigne daar destijds. Achter het huis bevindt zich een tuin die eindigt in een steile bergwand met daarin een fontein. De herberg van Kapitein Paulini ligt buiten het centrum van Bagni aan een steile weg omhoog. Loop je er vanaf de herberg naartoe, dan heb je een mooi uitzicht over het stadje. De vier foto’s laten achtereenvolgens de herberg, de plaquette, de fontein in de tuin en het uitzicht zien.
“Kapitein Paulini … gaf me een eetkamer, drie slaapkamers, een keuken en ook nog een aanbouw voor onze bedienden, met acht bedden, waarvan twee met baldakijn. Voor elf écus, een paar sous meer dan tien pistoletta’s, leverde hij zout, elke dag een servet, om de drie dagen een tafelkleed, alle ijzeren keukengerei en kandelaars voor twee weken.”
-.-

Op weg naar huis vanuit Rome om burgemeester van Bordeaux te worden, komt Montaigne weer door Siena maar logeert dan in een herberg in San Quirico, een stadje even verderop. Hij gaat vandaaruit de nabijgelegen badplaats Vignone bezichtigen: “Het bad ligt op een heuveltje waar de rivier de Orcia aan de voet langs stroomt. Rondom deze plek staat ongeveer een dozijn niet erg geriefelijke, onaantrekkelijke huisjes. Het ziet er allemaal heel schamel uit. Een grote ommuurde vijver met trappen, waar je in het midden een aantal bronnen van dat hete water ziet koken. Omdat het niet naar zwavel ruikt en nauwelijks dampt en het bezinksel rood is, lijkt het eerder ijzer te bevatten dan iets anders. Men drinkt er niet van. Die vijver is zestig passen lang en vijfendertig breed. Rondom deze vijver zijn hier en daar afgescheiden en overdekte gedeelten waar men gewoonlijk baadt. Deze badplaats is werkelijk uitmuntend.”

---------------
De citaten zijn uit: Michel de Montaigne, Reis naar Italië. Een reis naar Italië via Zwitserland en Duitsland in 1580-1581. Amsterdam: Meulenhoff, 1992.

woensdag 6 mei 2020

Op de schouders van reuzen: Montaigne en Descartes


De grote natuurkundige Isaac Newton heeft eens in een brief aan zijn concurrent Robert Hook geschreven: “Wat Descartes heeft gedaan, was een mooi stap vooruit. Jij hebt ook op diverse manieren veel toegevoegd… Als ik verder heb gekeken dan anderen, dan was dit doordat ik op de schouders van reuzen stond.” Hiermee erkende Newton openlijk, dat hij zijn resultaten alleen heeft kunnen bereiken, door gebruik te maken van wat anderen voor hem hadden gedaan. Overigens was de uitdrukking “op de schouders van reuzen staan” niet door Newton zelf bedacht, maar hij wordt toegeschreven aan de twaalfde-eeuwse theoloog John van Salisbury. Ook wat deze mooie uitdrukking betreft, staat Newton dus op de schouders van een ander. Nu is me over Robert Hook verder niets bekend en over hem wil ik het hier dan ook niet hebben, maar Descartes? Ongetwijfeld was René Descartes een groot genie, maar ook hij stond op de schouders van anderen. Hij zou daarom werkelijk een groot genie geweest zijn, als hij die anderen, op wiens schouders hij was geklommen, wat meer erkenning zou hebben gegeven, de erkenning die ze verdienen. Omdat Montaigne in deze blogs centraal staat, denk ik daarbij natuurlijk in de eerste plaats aan wat Descartes hem verschuldigd was. Want Montaigne was niet alleen een van de eerste moderne filosofen, maar Descartes heeft zoveel aan diens Essays ontleend zonder zijn naam te noemen, dat we gerust van plagiaat kunnen spreken. Montaigne, aan de andere kant, was juist iemand die in zijn Essays de anderen met wie hij in discussie trad, de eer gaf die hun toekwam. Zijn werk is vol citaten en hij noemt altijd de auteurs die hem stimuleerden zijn gedachten te ontwikkelen. Voor een belangrijk deel, vooral in de Boeken I en II, zijn de Essays een debat van Montaigne met zijn voorgangers en we zien hoe Montaigne in dit debat groeit.
Montaigne had zelf ook invloed op denkers ná hem, vooral de eerste jaren na zijn dood, maar zijn invloed gaat door tot vandaag de dag. Christophe Bardyn schrijft in zijn prachtige Montaigne-biografie dat de Essays in de zeventiende eeuw veel gelezen werden. Het was zelfs zo dat je de belangstelling voor je eigen werk kon bevorderen door er verwijzingen naar Montaigne in op te nemen (een truc die vandaag de dag overigens nog steeds wordt toegepast: schrijf hoe je eigen boek of artikel verband houdt met andere belangrijke werken en de kans dat het wordt gelezen neemt toe). Twee van de belangrijkste Montaigne-lezers in die tijd waren Blaise Pascal en René Descartes. Hoewel Pascal de Essays gelezen heeft en er misschien ook wel door is beïnvloed, vond hij het eigenlijk maar raar om over jezelf te schrijven op de manier zoals Montaigne het deed en hij noemde het werk een “dwaas project”. In ieder geval komt Pascal er rechtstreeks voor uit dat hij de Essays gelezen heeft en wat hij ervan vindt. Maar Descartes? Hoewel de invloed van Montaigne op Descartes niet duidelijk opvalt en Descartes niet naar Montaigne verwijst, is die invloed er wel degelijk, aldus Bardyn. Hij noemt deze invloed zelfs “beslissend”. Deze is echter indirect. Eigenlijk is Descartes’ hele Vertoog over de methode een toepassing van Montaigne’s idee dat twijfel de basis is van kennis. Descartes noemt Montaigne’s naam echter nergens in zijn Vertoog. Doordat Descartes wel passages en ideeën uit de Essays gebruikt, maar nergens Montaigne’s naam noemt, zouden we hem vandaag de dag allicht van plagiaat beschuldigen. Meer nog, dit plagiaat begint al in de eerste regel van het Vertoog, waar Descartes schrijft: “Het gezond verstand is van alle dingen op de wereld het gelijkmatigst verdeeld. Want iedereen vindt dat hij er zo goed van voorzien is dat zelfs degenen die in iedere andere kwestie het moeilijkst tevreden te stellen zijn er nooit meer van willen dan ze er al van hebben.” Dit lijkt een originele, zo niet briljante, zin om een boek te beginnen. Montaigne had echter vóór Descartes al geschreven: “Men zegt gewoonlijk dat de natuur geen van haar gaven zo rechtvaardig onder ons verdeeld heeft als het verstand: want er is niemand die niet tevreden is met wat hem daarvan is toebedeeld.” (Essays, Boek II, 17; p. 774)
Het lijkt erop dat Descartes van Montaigne’s populariteit heeft willen profiteren zonder zijn naam te noemen. Of wilde hij origineler lijken dan hij in feite was? De introductiezin van het Vertoog over de methode is overigens niet de enige keer dat Descartes Montaigne plagieert, maar ik laat het bij dit voorbeeld. Hoe dan ook, als Descartes gewoon zijn bronnen had genoemd, dan zou dit geen greintje hebben afgedaan aan zijn echte verdiensten.
We staan allemaal op de schouders van anderen. Onze huidige prestaties waren niet mogelijk geweest, als anderen vóór ons daarvoor niet de basis hadden gelegd. Newton noemde die voorgangers “reuzen”. Hiermee erkende hij dat zijn voorgangers groter waren dan hijzelf. En is het niet zo dat een begin maken vaak moeilijker is dan een ingeslagen weg te vervolgen? Descartes was een reus, omdat hij nieuwe wegen in de filosofie heeft gebaand. Als hij de nodige eer had bewezen aan zijn reusachtige voorgangers, dan zou hij nog groter zijn geweest.

Literatuur
- Bardyn, Christophe, Montaigne. La splendeur de la liberté. Parijs: Flammarion, 2015; pp. 467-8 (de belangrijkste bron voor deze blog).
- Descartes, René de, Discours de la méthode. Parijs: Union Générale d’Éditions, 1951.
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.
- Phillips, John, “Montaigne and Descartes”. https://courses.nus.edu.sg/course/elljwp/mondes.htm
- Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/wiki/Verhandeling_over_de_methode (voor het citaat van de eerste zin van Descartes’ Vertoog over de methode).

woensdag 8 april 2020

Montaigne en de pest


In de tijd van Montaigne waren epidemieën bepaald geen uitzondering. Uiteraard wist Montaigne niets van het nieuwe coronavirus, dat momenteel de wereld teistert. Zonder meer wist nog niemand van het bestaan van virussen of van bacteriën. Die moesten nog ontdekt worden. In Montaigne’s tijd was vooral de pest een ziekte die vaak epidemische vorm aannam en levens vernietigde en de samenleving totaal verstoorde.
Sommige van zijn biografen en historici denken dat Étienne de La Boétie, de beroemde vriend van Montaigne, aan de pest is gestorven. Anderen houden het op dysenterie en dit lijkt ook mij het waarschijnlijkst. Er zijn echter tenminste twee gevallen dat Montaigne direct met de pest te maken had. In de tijd dat Montaigne leefde werd Frankrijk geteisterd door de ene godsdienstoorlog na de andere. Negen godsdienstoorlogen speelden zich tijdens zijn leven in Frankrijk af. Ze werden vooral uitgevochten in de streek waar Montaigne woonde en wat meer naar het zuiden, want vooral die regio was een bolwerk van het protestantisme. Ook enkele broers en zusters van Montaigne waren protestant geworden, hoewel hij met hen op goede voet bleef. Door deze oorlogen werd het sociale leven voortdurend verstoord, waardoor de pest endemisch was geworden met af en toe een grote uitbraak. Een dergelijke uitbraak van de pest vond plaats in juni 1585, toen Montaigne burgemeester van Bordeaux was. 14.000 burgers van de stad, ongeveer de helft van het aantal inwoners, zouden daarbij omkomen. Het waren echter de laatste dagen van zijn burgemeesterschap. In juli zou Montaigne zijn ambt neerleggen. Toevallig was hij niet in Bordeaux toen de pest er uitbrak. Hij was op dienstreis in de omgeving geweest en na afloop rechtstreeks naar zijn kasteel gegaan. Het enige wat hij nog als burgemeester te doen had was een vergadering leiden waarbij de nieuwe burgemeester werd benoemd en geïnstalleerd. Zijn opvolger was echter al aangewezen. Zou hij het risico nemen om ziek te worden en te komen overlijden voor een formaliteit? Montaigne besloot niet te gaan en schreef een brief naar de gemeenteraad dat hij zijn ambt ergens net buiten Bordeaux wilde overdragen. Zo gebeurde het ook. Sommigen, zowel tijdgenoten als latere biografen, beschuldigen Montaigne van lafheid. In andere situaties had Montaigne echter persoonlijke moed bewezen en hij was confrontaties nooit uit de weg gegaan. Waarom zou hij risico nemen voor een ambt dat hij nog maar enkele dagen zou bekleden? Zoals Montaigne ergens in zijn Essays zegt: “De burgemeester en Montaigne zijn er altijd twee geweest, duidelijk van elkaar gescheiden.” (Essays III-10, p. 1195)
Maar de echte ellende moest nog komen. De pest ging niet weg en bereikte een jaar later ook zijn kasteel. Het was september 1586. Montaigne treedt niet in details maar in het essay “Over fysiognomie” (Essays III-12, p. 1238) schrijft hij “Zowel in als buiten mijn huis werd ik bezocht door een pestepidemie van ongekende hevigheid”. Kennelijk waren er al een of verscheidene van zijn bedienden of knechten aan de ziekte overleden. Daarom besluit Montaigne te vluchten. Opnieuw geeft Montaigne ons geen details, maar volgens zijn biograaf Bardyn moeten we het ons voorstellen dat hij rondtrok met een aantal karren en wagens en paarden samen met zijn vrouw, zijn vijftienjarige dochter zijn zeventigjarige moeder plus een aantal bedienden. Waar ging hij heen? We weten het niet en Montaigne wist het zelf ook niet, want nergens was hij welkom. Iedereen was bang door deze rondtrekkende caravaan met de pest besmet te worden. “Ik, die zelf zo gastvrij ben, had de grootste moeite een toevluchtsoord te vinden voor mijn familie”, klaagt hij (t.a.p.). En zo gauw een arts dacht, dat er iemand van het gezelschap besmet zou kunnen zijn, moest iedereen veertig dagen in quarantaine.
Montaigne’s geld raakte op. Hij kon geen nieuwe kleren en nieuwe paarden meer kopen. Maar hij bleek niet vergeten. Catherina de Medici hoorde van Montaigne’s ellende en zond hem geld. Niet een fooi maar een substantieel bedrag. Natuurlijk deed ze dit niet alleen uit medelijden, want andermaal had ze hem nodig om te bemiddelen tussen haar zoon Hendrik III, de koning van Frankrijk, en diens rivaal Hendrik van Navarra, de leider van de Hugenoten en de latere Hendrik IV van Frankrijk. Zo raakte Montaigne ook tijdens zijn zwerftocht betrokken bij politieke zaken.
Uiteindelijk, een half jaar later, keerde Montaigne met de zijnen terug op zijn kasteel. Het was inmiddels maart 1587. De pestepidemie was voorbij en de streek was door de Hugenoten gepacificeerd, zodat Montaigne ook niet bang hoefde te zijn voor menselijke vijanden. Want ook al was Montaigne rooms-katholiek, als kamerheer van de protestantse Hendrik van Navarra stond hij onder diens bescherming. Zijn kasteel was echter in slechte staat en zijn landerijen waren verwaarloosd. De druiven hingen nog ongeplukt aan de wijnstokken. Niet veel mensen in de streek hadden de pest overleefd, maar Montaigne en zijn caravaan waren de ellende te boven gekomen. Een jaar na zijn terugkeer publiceerde hij een nieuwe editie van zijn Essays, die waren uitgebreid met een derde deel.

Literatuur
- Bardyn, Christophe, Montaigne. La splendeur de la liberté. Paris: Flammarion, 2015; pp. 381-2, 398-403.
- Desan, Philippe, Montaigne. Une biographie politique. Paris: Odile Jacob, 2014
- Montaigne, Michel de, Essays. Vertaling Frank de Graaf. Amsterdam: Boom, 2001.

woensdag 11 maart 2020

Gevaarlijke gedachten

De stoel en tafel in de bibliotheek van 
Montaigne, waar hij zijn Essays schreef

Zeggen wat je denkt kan soms levensgevaarlijk zijn. Journalisten in dictatoriale regiems ondervinden dat vaak dag aan dag. Of denk maar aan de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs, vier jaar geleden. Dat zeggen wat je denkt gevaarlijk kan zijn heeft ook Montaigne ondervonden. Montaigne was een moedig man maar ook een voorzichtig man en hij wilde geen onnodige risico’s nemen. Ik ken in ieder geval één geval dat hij aan zelfcensuur deed. Het gaat echter niet om een werk van zichzelf maar van zijn overleden vriend Étienne de La Boétie: De Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij. Montaigne voelde zich met dit jeugdwerk van zijn vriend verbonden. Was het niet de aanleiding geweest dat hij contact met La Boétie gezocht had, toen hij daartoe de gelegenheid had? Bovendien waren zijn Essays opgedragen aan La Boétie. Daarom wilde hij de Verhandeling in zijn Essays opnemen en wel in hoofdstuk 29 van Boek I, precies in het midden van Boek I en direct na essay 28 “Over vriendschap”, dat helemaal aan La Boétie gewijd was. In 1580 vroeg Montaigne, zoals voorgeschreven, toestemming voor de publicatie van de Essays inclusief de Verhandeling en toen Montaigne die toestemming verkregen had, stond niets de publicatie meer in de weg. De Verhandeling was echter een nogal radicaal werk. La Boétie presenteerde er een machtstheorie en liet zien hoe het mogelijk was machthebbers ten val te brengen door hen niet langzamer te gehoorzamen. Sommigen zien er La Boétie’s antwoord op Machiavelli in. Nadat Montaigne de toestemming voor de publicatie van zijn Essays verkregen had, maar voordat het werkelijk ter perse ging, was de politieke situatie in Frankrijk echter sterk veranderd en in het land heerste een geest van oorlog en revolutie. Bovendien was de Verhandeling door activistische Hugenoten illegaal gepubliceerd onder de titel Tegen de Ene. Daarom besloot Montaigne de Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij niet in zijn Essays in te voegen en schrijft dan aan het slot van zijn essay “Over vriendschap”: “Omdat ik heb opgemerkt dat dit werk inmiddels, met een kwalijk oogmerk, is uitgegeven door hen die ernaar streven onrust te zaaien in onze staat en die te veranderen, zonder zich er om te bekommeren of zij die ook verbeteren, en dat ze het hebben samengevoegd met andere geschriften van hun eigen baksel, heb ik er van afgezien het hier een plaats te geven.” In plaats van de Verhandeling nam Montaigne nu 29 sonnetten van La Boétie in het volgende hoofdstuk op. Hij vond het veiliger van de publicatie af te zien, want daardoor zou hij mogelijk met de Hugenoten vereenzelvigd kunnen worden, wat niet alleen slecht voor zijn carrière zou kunnen zijn, maar als hij inderdaad als een aanhanger van het protestantisme werd gezien, liep zijn leven ook gevaar.
Dit voorval heeft de bekendheid en verspreiding van de Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij echter niet geschaad, zoals ik in mijn blog over Étienne de La Boétie hieronder al heb laten zien. Zelfs Richelieu heeft deze gelezen, in een tijd dat La Boétie’s werk al verboden was. Zoals de Engelse schrijver Edward Bulwer-Lytton de kardinaal in zijn toneelstuk Richelieu laat zeggen: “De pen is machtiger dan het zwaard”. Dat zou niet alleen blijken voor La Boétie’s Verhandeling maar ook voor Montaigne’s Essays, dat immers lange tijd op de index van de rooms-katholieke kerk heeft gestaan maar desondanks ook door veel katholieken werd gelezen. “Die Gedanken sind frei”.

Bronvermelding
- Voor het citaat uit de Essays heb ik gebruik gemaakt van de vertaling van Frank de Graaff (Boom, Amsterdam, 2001; p. 237).

donderdag 5 maart 2020

Étienne de La Boétie, de vriend van Montaigne. Wie was hij?



 Standbeeld van La Boétie in Sarlat. Van La Boétie is geen 
enkele afbeelding bekend en het standbeeld is dan ook pure fantasie.

De meeste lezers van Montaigne’s Essays zullen wel weten dat Montaigne bevriend was met Étienne de La Boétie. Het beroemdste essay in Montaigne’s werk gaat immers over deze vriendschap. Meer nog, Montaigne heeft de Essays aan zijn overleden vriend opgedragen. Wie was hij echter?
Étienne de La Boétie werd op 1 november 1530 in Sarlat geboren, een stadje in de Périgord in Zuid-Frankrijk (zie foto beneden voor zijn geboortehuis). Hij behoorde tot een patricische familie die zich in de loop van een aantal generaties had opgewerkt. Over zijn jeugd is niet veel bekend. Wel weten we dat Étienne’s vader overleed, toen hij nog jong was, en dat hij grotendeels door zijn oom Étienne is opgevoed, die zich overigens voortreffelijk van zijn taak heeft gekweten. Welke school La Boétie bezocht heeft, kunnen we alleen maar raden. Mogelijk is dat het beroemde Collège de Coqueret in Parijs geweest. Hoe dit ook zij, we komen zijn naam pas weer tegen op 23 september 1553, als in het register van de Universiteit van Orléans vermeld staat dat hem een licentiaat in de rechten verleend is. Zijn eerste leermeester aan deze universiteit was Anne du Bourg, die toen reeds naar het protestantisme neigde maar nog niet die actieve strijder voor de nieuwe godsdienst was, die hij later in zijn tijd als raadsheer bij het Parlement van Parijs zou worden. Mogelijk voelde La Boétie zich toen ook door het protestantisme aangetrokken, maar dit is onzeker. Wel zeker is dat hij uiteindelijk katholiek is gebleven, maar in zijn opvattingen over de strijd tussen de godsdiensten altijd gematigd was. Bij het begin van zijn universitaire studie had La Boétie zijn beroemde Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij al geschreven. Wanneer hij dat precies gedaan heeft, is niet bekend. Mogelijk was dit al op zijn zestiende, maar in ieder geval uiterlijk toen hij 18 jaar oud was.
Kennelijk had La Boétie tijdens zijn studie een goede reputatie verworven, want hij werd op 23-jarige leeftijd tot raadsheer van het Parlement van Bordeaux benoemd, hoewel de minimumleeftijd hiervoor eigenlijk 25 jaar was. Hij maakte deze reputatie direct waar, vertoonde grote inzet en kreeg al snel enkele speciale opdrachten, gevolgd door zijn eerste grote opdracht in 1560. Het werden er steeds meer. Inmiddels was hij getrouwd met Marguerite de Carle, een weduwe uit een aanzienlijke familie met twee kinderen. Op een grote feestelijke bijeenkomst in Bordeaux, waarschijnlijk in 1557, leerde La Boétie Michel de Montaigne kennen. Het was Montaigne die hiertoe het initiatief nam, nieuwsgierig om te weten, wie die persoon wel was die de Verhandeling had geschreven. Het klikte meteen tussen beiden. Hun vriendschap wordt exemplarisch in de literatuur en filosofie en zal tot de dood van La Boétie duren. Vaak zullen ze elkaar echter niet zien, want La Boétie moet voor zijn opdrachten regelmatig lange reizen maken. Een opdracht van zijn collega’s om met de koning over een betere uitbetaling van de salarissen te praten voerde hem in 1560 naar Parijs. Bij een volgende opdracht moet hij in 1561 naar de streek van Agen, deze keer als assistent van de gezant van de koning, die daar in diens opdracht de godsdiensttwisten moest beslechten. Deze gezant had La Boétie juist vanwege zijn gematigde opvattingen als assistent uitgekozen. Mede dankzij La Boétie komt het tot een acceptabel vergelijk. La Boétie was, aldus zijn biograaf Bonnefon, in die tijd een van de weinige denkers die gewetensbezwaren serieus namen. Ook bij degenen die tolerantie tegenover het protestantisme voorstonden, was deze tolerantie gewoonlijk niet meer dan een politiek middel om erger te voorkomen.
De vrede in Agen, maar ook die in Bordeaux en elders, bleek niet meer dan tijdelijk. Omdat het Bordeause parlement een aanslag van protestantse troepen vreesde, werd besloten 1200 soldaten aan te werven en telkens 100 van hen onder het commando van een raadsheer te plaatsen. Eén van deze raadslieden was La Boétie. Het getuigde van een groot vertrouwen in zijn gevoel van gerechtigheid en zijn vermogen om gezag af te dwingen. Het zou echter Étienne de La Boétie’s laatste publieke daad blijken te zijn. Niet lang daarna, na een kaatswedstrijd, voelde hij zich niet goed. Welke ziekte hij precies had weten we niet, maar na een ziekbed van tien dagen overleed hij op 18 augustus 1563, 32 jaar oud, in aanwezigheid van zijn familie en van Montaigne.
De lezers van Montaigne’s Essays zullen Étienne de La Boétie vooral als vriend van Montaigne kennen, maar in Frankrijk heeft hij een veel ruimere betekenis. Buiten Frankrijk is hij buiten de groep van Montaignelezers vooral bekend door zijn Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij, met name onder vredesactivisten en zij die de idee en praktijk van de geweldloosheid bestuderen. In zijn tijd al was La Boétie beroemd door dit werk. Destijds circuleerden van veel boeken afschriften onder de geletterden en ook La Boétie’s jeugdwerk ging in wijde kring rond. Zo kwam het  terecht in kringen van de Hugenoten en het heeft hen geholpen bij hun strijd voor de godsdienstvrijheid en hun verzet tegen de Franse koning. Het is maar de vraag of La Boétie dat zo bedoeld had. Het werk is na de dood van de schrijver echter niet vergeten en het is tot op heden vele malen herdrukt, vooral vanaf het midden van de 19e eeuw. Sindsdien heeft het invloed uitgeoefend op hen die zoeken naar geweldloze middelen om zich tegen gewelddadige onderdrukking te verzetten, zoals Tolstoj en Gandhi en de Nederlandse vredesactivist Bart de Ligt. Maar de Verhandeling is niet het enige werk dat La Boétie geschreven heeft. Hij schreef ook gedichten en vertaalde diverse werken van de klassieke schrijvers Plutarchus en Xenophon en ook van de Italiaan Ariosto. Door zijn vertalingen van klassieke auteurs wordt La Boétie gezien als een van de renaissancisten die de oudheid onder de aandacht van zijn tijdgenoten heeft gebracht. Zowel door zijn Verhandeling als als renaissancist is de invloed van La Boétie blijvend geworden en in Frankrijk dragen dan ook vele straten en scholen zijn naam.

Literatuur
- Boétie, Étienne de la, Verhandeling over de vrijwillige slavernij. Tegen de Ene. Vertaald door Hillegonda de Ligt, met een inleiding van Bart de Ligt; Servire, Den Haag, 1933. Ook te vinden op website http://www.athene.antenna.nl/MEDIATHEEK/BOETIE-1.html .
- Boétie, Étienne de La, Vertoog over de vrijwillige slavernij. Vertaald door Charlotte Bauwens. Democratie.Nu, 2007. Op website https://www.meerdemocratie.be/sites/default/files/PDF/etiennedelaboetie-vertoogoverdevrijwilligeslavernij-zwart.pdf
- Boétie, Étienne de La, Het vertoog over de vrijwillige onderdanigheid of Tegen Één. Op website https://verbodengeschriften.nl/html/het-vertoog-over-de-vrijwillige-onderdanigheid.html#bovenkant
- Cocula, Anne-Marie, Étienne de La Boétie, Sud Ouest, Bordeaux, 1995.
- Delacomptée, Jean-Michel, Et qu’un seul soit l’ami. La Boétie, Gallimard, Parijs, 1995.

Op mijn website bevindt zich een uitgebreide bibliografie met literatuur over Étienne de La Boétie: http://www.bijdeweg.nl/Etienne_de_La_Boetie_bibliography2.html